(hij slaat de handen om de ster, wringt haar over z’n knie. De ster dooft plotseling — een donderslag weerklinkt — even is het tooneel donker).
Schoenlapper. Je mot ’t gordijn opetrekke, S'ien.
Jan. Dat doe ik al (het roode licht van het venster stort weer binnen. Tegen het beddelaken, onbewegelijk naast elkaar staan Thijs, Bet, Aaltje, Lammersen).
Vijfde Tooneel.
Zwaan, Jan, Schoenlapper, Bakker, Sien, Thijs, Bet, Aaltje, Lammersen.
Bakker (verwoed). Me goudvissche, me brooje en me cente ! ’k Maak ’r politiezake van ! Drie en zestig goed doorbakke panne !... Vier goudvissche !
Bet (met een kerkboek in de hand). God-nog-an-toe, bakker — me wete d’r niks van____
Bakker. Drie en zestig brooje in de bedstee !
Thijs (met een takel in de hand). Eens gegeve blijft gegeve____
Lammersen (met zijn harmonica onder den arm). Al stóóf je ’n goudvisch — slikke ken je ze niet — d’r zei d’r geen in gezete hebbe. Vliege doene ze niet...
Aaltje (met een pak quitanties in de hand). Me hart staat ’r van overeind — wat ’n weer, wat ’n weer! — mot in de buurt ingeslage weze----
85