waaraan te geloven als reddende kracht, voor deze tedersterke ene onontbeerlijke behoefte was.
D eze droom van een jong-gebleven, krachtig kloppend hart, overglansd door de stille schijn van een tot wijsheid gerijpte ervaring, voltooid of niet, was een te kostbare nalatenschap om haar vergeten te laten liggen in de lade van de werktafel, waarvan de trouwe arbeider te vroeg moest opstaan. Zij wordt gebracht in de verwachting, dat zij ontvangen zal worden met al de vreugde en al de eerbiedige genegenheid, waarop zij mag aanspraak maken.
A. M. DE JONG.