voor ’t raam in de leunstoel, en zonder ’n boterham te etei, zonder ’n slok drinken, was-ie al om half zes de deur uit, om Wetter op te wachten.
Ze liepen wel meer samen naar de fabriek.
Nou -— en Kobus priemde ’r de nagels bij in z’n vlees ■— kwam de chemicus met Godefroid Mou-rier tegelijk de weg af. ’m Wat te vragen waar die kerel bij was ■— nee.
En zo liep-ie in houdingloze eenzaamheid alleen verder, ’t zelfs niet horend, dat Witter ’m van uit de verte anriep.
In de Glasblazerij, bij de gloeihitte van ’t snorkende, proestende vuur in de ovens, blies-ie in felste verwoedheid, krakeelde-ie met z’n buur-kameraads, ging-ie tegen z’n maat, die de glazen peren van 'm overnam, onzinnig-geprikkeld tekeer.
Toen-ie thuis kwam schaften, was ’r nog geen brief, en Friedel had zich nog niet vertoond.
Lena had weer voor ’t eten gezorgd. En keurig.
« « »
Hier eindigt het manuscript van Heijermans’ laatste grote werk, het fijngeweven verhaal van de verwikkeling der levens rond Droomkoninkje’s heftige zusje, wier hartstochtelijk reageren op de kleine en grote dingen om haar heen de lichtende kern vormt van het ontroerende boek. Vuurvlindertjes felgulzige leven te midden van al de conflicten der opgroeiende en reeds volwassen persoonlijkheden rondom haar, had de volle, overgegeven liefde, de glimlachende aandacht, de gespannen en teder bewogen aandacht van Heijermans’ warme hart, en hoe diep en levendig en vreugdevol het sloeg voor het naïeve wonder, dat
219