nariep dat ze nou wist hoe 'k de dooie eerste vrouw mishandeld had ■— toen heb 'k 'r op los gestoken ■— heb ze allebei vermoord, met voorbe-dachterade, de eerste vrouw', de tweede ■— ben na me woning teruggegaan, in me ouwe bed gekropen — en ben in de boeien geslagen .... Da's dat. Da's nommero twee .... Da's alles . . . . En da's de geschiedenis van me zoon .... Heb-je daarvan terug ? . . ."
,,Sie Aermster . . . ." sprak ze enkel.
„Morgen verkas 'k . . . ."
„Waarom ? ... Is hier geen thuis ?"
„Dat ken nou niet meer, na 't spektakel van vanavond .... Ze steken d'r ogen niet in d'r zak, as je tussen twee rechercheurs opgebracht wordt . . . ."
„Wacht even, ik zal vader roepen," zei ze.
Witter kwam met 'n verwonderd gezicht, gestoord in z'n lektuur, binnen. Die begreep wat 'r gebeurd was.
„Jammer, Mourier, dat we mekaar misgelopen zijn. lek had je willen vragen een borrel met mij te drinken, want iek had ijskoude voeten gekregen .. . ."
„Hij wil morgen afreizen, vader."
„Heeft dat zo'n grote haast, Mourier ?"
„Ik heb hier niks meer . . . ."
„Tellen wij niet mee, dummer Kerl ? . . ."
„Na wat 'r vanavond gebeurd is . . . ."
,,DJ r is niks gebeurd .... lek bezorg u een betrekking op die Papierfabriek, er, u gaat fijn slapen, en als u weer lust heeft in een glaasje Schnaps, neem mij dan mee .... Wrl u ? . . . Een, twee, drie, iek draai het licht uit . . . ."
184