tast in de modderige, grijze, lome, beulende zakenstad, waar ’k op de Blaak voor zeer ruim veertig jaar in ’n wieg blaakte — jij boetseerder van twéé feuilletons per week in voornoemde Nieuwe-Ro'tterdamsche — jij werker en boef, schijn-baar-onvermoeide en krantekolommen-slaaf — jij geen tijd nauwelijks vindend voor de loenzende tijdschrift-letteren — jij met je zorg en je inspanning, je angst om ‘fris’ te blijven, niet in ‘Herhaling’ te vervallen, niet te verslappen, noch te beschimmelen — jij met je gehijg om ’t hollen van de tijd bij te houden — jij met je toch werken — tóch, tóch — óók als je ’ns zalig zou willen luieren, slapen, de hele buurt met je gesnurk wakkerklepperen — jij, Brusse, bent mijn gelijkenis — de andere macht in ’t koppel — de peper van ’t stel als ik ’t zout remplaceer — m’n spiegel en beeltnis — m’n nachtmerrie en in kunstlicht bleek-verstarde facie — m’n eigen vertroebelde grijnslach, m’n stel paternosters, wijsheid, hoogleraar, discipel, voorbeeld ...
Jij, onder de mensen — ik, in m’n Amsterdamsch Schetsboek, en bei (waarom ’t niet ’ns zwak doch wellevend als wijlen Judas te verrajen?) — bei met ’n ris navolgers in ’t weelde-land der zogenaamd-journalistieke observaties en ontledingen — bei met ’n hofstoet van na ons geboren dag-bladerige literatoren of literaire dagbladauteurs — jij en ik, maats in éénzelfde fatum sinds jaren, wij scheppers der nieuwe begrippen ‘falklandjes’ en ‘onder-de-mensjes’ — wij hebben eenzélfde vader de zweep, eenzélfde moeder ’t bestaan, eenzélfde horizon de arbeid — eenzélfde glimlach bij onze tijdgenoten, omdat we uiterlijk zulk ’n paar handige kornuiten lijken.
Toen jij mij niet interviewde, toen je bij de ouwe herinneringen van ’n met ’n luchtballon op de Amsterdamse daken verongelukte hoofdredacteur, bij ’t oprakelen van ’n nachtelijke tocht op de tender van ’n locomotief, bij ’t lekker-on-bezorgd grabbelen in *t verleden (omdat, zou ’k bijna zeggen, ’t verleden voor ons ’n goddank voorbij ding is), je grap
95