Aan de schrijver van ‘Onder de mensen’
M’n waarde Brussel
Ha! Ha! Oog om oog, tand om tand, buil om buil, zeer om zeer, lik om lik, smeer om smeer, interview om interview — vermoedt ge voorwaar, geachte en voortreffelijke meester en collega, nu ge na uw drie artikelen over mij en m’n tweelingbroeder Heijermans, in de ‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’ van 13, 16 en 20 januari, ook uw naam aan de dakspits van dit mijn letterkunstig gebouw vindt gestoken — ha! — ha! — de weerwraak, ’t publiek aan de kaak (die schandpaal is) stellen van mijn (Brusses) loslippigheden, mijn la-te-avond-gezwam, mijn rare avontuurtjes in ’t rare verleden, mijn lakhebben aan de pagoden des tijds, mijn gesputter over ’t kozijn van ’n eerbare Rotterdamse straat... Ha! de vermaledijde Gerrit-in-Falkland ‘gordt zich ten strijde’ op ’t pad mijner ziel — begeeft zich ten cancan op de lijf-blootheidsbeetjes van m’n stoffelijk hulsel — ha! de smakker, de rancuneuze, bloeddorstig-haatdragende, immer tot bijten gerede, zich nog stuiptrekkend verwerende, ’n pen van venijn en gal soigneus-conserverende Gerrit-in-Falkland, bereidt zich ten offerfeeste, eer ’k ’t bewustzijn herkreeg, bungelt mijn scalp terzij van zijn milt... Ha!...
Wees gerust, vriend — daar ergens in Rotterdam! Toen
93