Zo. Geef me je hand. Nou ben ’k waarachtig met je verzoend. ’t Was geen leven wat jij geleid heb. — En doe ’m nou vanavond weg ...’
‘Zou ’k ’m nóu nog posten? As ’k morgenochtend ...’ ‘Nee,’ raadde de oude man, ‘gepost is gepost. D’r is ’n lichting om twaalf uur — je most morgen is ...’
‘Néé,’ ontkende driftig de zoon, ‘nóóit meer! Nooit meer! ’k Heb nog niet eens alles verteld. Dat schepsel is enkel leugen, bedrog! Nooit meer! Daar gaat-ie .. .’
Nijdig stopte hij de brief in het couvert, likte zo woest dat-ie zich de tong sneed, plakte de postzegel op. De klok sloeg elf.
De ouwe gezelligheid van de huiskamer, waarin-ie in geen maanden gezeten had, met vader in zachtere stemming aan de andre zij van de tafel, vader die zo’n best mens was, z’n héle leven hard voor z’n kinderen gesjouwd, vader die driftig was, maar ’t goed meende — hoe had-ie zich kunnen vergooien met. .. met. .. met die slét — de ouwe gezelligheid van de kamer mét de lamp daar en de spiegel daar — god, wat zag-ie wit! — en de klok daar en moeders stoel daar — de hele ouwe gezelligheid van zo’n zitje met vader als de anderen naar bed waren, doezelde op hem toe, klopte van z’n hart naar z’n keel en z’n moeie ogen.
Toen, terwijl-ie voelde dat vader ’m aankeek, leunde-die achterover, uitgeput door ’t lang, eenzaam wanhopig ge-wandel bmten-om en een zware, doffe triestigheid omloom-de hem, alsof-ie zinkend was in een eindeloos, dampig nachtzwart, een zwart zonder houvast voor de handen, een zwart waarin z’n lichaam pijnlijk-doelloos vergleed, een zwart met schrijning van smartlijk-hijgend verlangen. Nou maar zo zitten blijven, met je handen slap neer, niet meer lopen en praten ...
‘Wil ik ’m voor je wegbrengen?’ vroeg vader bijna zacht. Uit de leegte schrikte-die op.
‘Neen, laat mij ’t maar doen ...’
9i