weg was. He, wat ’n plezier! Achter z’n bas had-ie gegnuifd. Hét begon. Hij had gelijk. Maar de volgende avond was alles weer bij *t oude, zong Nachtegaal, applaudisseerde de zaal, streek Basje ...
Eindelijk werd het hem te machtig. Eens bij een rustpunt op het toneel en een zacht spelen der violen, geeuwde hij hardop ... hoho !... Er keken een paar mensen in de voorste rijen naar Basje — en die lachten. Nachtegaal beklaagde zich bij de directeur.
Basje werd berispt. Basje geeuwde niet meer, maar elke avond had hij nu iets anders. Dan vroeg hij hardop: ‘Mooi he? Mooi he?’ — dan gromde hij zó dat de mensen dichtbij hét verstaan konden: 'Daar lachen ze om, die ongelukken!’ Het ritournel maakte hem korzelig, zenuwachtig. Over de honderd vijftig maal te moeten horen over de kieswet, over de vrije vrouwen, over Atjeh, over de nieuwe Beurs, over margarine — daar raakte je ondersteboven van! Bah! Bah! En opnieuw trok hij malle gezichten, bromde, haalde de schouders op . ..
Het was die avond erg vol. ’n Excentrieke sneltekenaar had de mensen doen lachen — er was een Duitse salon-humorist opgétreden, een troepje parterre-acrobaten en hand-equili-bristen, een Engelse juffrouw ‘song and dance’ — én — de orkestmeester tikte af.
Hét ritournel, hét vervelende, lammenadige ritournel.
Stroef keek Basje naar de grond. Het verse standje van de directeur zat ’m dwars. Het gat van de deur! Het gat van de deur! Daar kon je makkelijk mee dreigen as je wist dat ’r ’n vrouw en kinderen in ’t spel waren. Tideriderideride-rombombom! O! O! En daar hadje ’m wéér. Als-ie naar de voorgrond kwam, kon je ’m zien! Nou hóórde je alleen z’n dikke stem. Altijd had-ie ’n aardappel in z’n keel. Misselijke vent!
Hoe brak ’r niet eens ’n plank, dat-ie wegzakte! Hoor:
150