sen lachten, hoe snauwender de trek om zijn mond werd, hoe somberder hij keek. Bah, wat ’n mensen! Lachen om zulke misselijke flauwiteiten, lachen om die kerel, die elke avond dezelfde gezichten trok, precies op dat ogenblik de grote mond van Solser nabootste en nog preciezer op dat ogenblik an z’n lege zakken draaide! D’r waren geen goeie komieken meer en ’t goeie publiek was ook al lang dood. Wreed bestreek hij zijn bas om zijn woede te luchten. Goddank, nog een paar dagen en dan hoepelde de vent op! Mis! Wat nooit gebeurd was, gebeurde nu: de komiek werd voor de derde maand geëngageerd, ’t Sloeg je met stomheid.
Basje begon uiterlijke tekenen van ongeduld te geven. Zulk een kwibus, zulk een komiek van de koude grond te begeleiden was moordenaarswerk. Je vrat er je zelf bij op. Als de orkestmeester aftikte voor het ritournel des geliefden komieks, keek Basje de zaal rond, vroeg met minachtende ogen: ‘Wat zeggen jullie daarvan? Daar heb je ’m waarachtig wéér..Het publiek reageerde niet, nam geen notitie van de kleine bas. Hij streek woest mee en als Nachtegaal toevallig zijn richting uitkeek, haalde Basje zijn neus op, 'trok lelijke gezichten... Niemand lette het op. Het was een goedkoop plezier. De komiek had succes en woedend zei Basje: ‘... Stommelingen.. !’ Dat kon hij doen. Het werd niet gehoord.
Maar toen Nachtegaal ook de vierde en vijfde maand ge-engageerd werd, verloor Basje zijn geduld. In de stemkamer schold hij op de komiek. De andere muzikanten lachten hem uit. Of je nou die of die begeleiden moest: wat dee ’t ’r toe, as je je cén'ten maar kreeg! Nou, dat moesten ze hém zeggen. Hij maakte degelijk onderscheid. Als-ie ’t ritournel van Nachtegaal hoorde, werd-ie kwaadaardig. Weer die prulkerel! Weer dezelfde moppen van vijf maanden lang. En dat vervloekte publiek! Een avond waren ze verstandig geweest. Toen had je studenten in de zaal gehad en die hadden meegeschreeuwd en gefloten nét zo lang tot de kerel
149