Basje
‘Brom,’ begon de directeur, 4 ’k heb je nog eens laten roepen, omdat ’t zó niet langer gaat. Wat heb je tegen Nachtegaal?’
‘Niks,’ zei de kleine bassist, de lippen om hét tabkaspijp-je persend.
‘Zo. Nou maar ’r mot ’n end an komme. Ik heb je al is eens gewaarschuwd en daar schijn je niet veel om te malen. Gister-avond heb je weer malle gezichten staan trekken...’
‘Dat kan wel.’
‘Dat kan wel? Als ’t je hier niet anstaat, dan weet je ’t gat van de deur.’
De bassist bezoog nijdig zijn pijpje en tussen kwaadaardige dampertjes door klaagde hij zijn nood.
‘Dat heb je makkelijk zeggen ... ’t Gat van de deur kennen we allemaal... Maar je mot consideratie gebruiken, ’t Is niet uit te houen.’
‘Wat is niet uit te houen?’
‘... ’t Is hier niet te houen mét die kerel. Die maakt je gék. Zes maanden ’t zelfde moppie, zes maanden die vent z’n grimassen an te zien, daar hou je je geduld niet bij..
‘Dan ga je maar heen!’ snauwde de directeur. ‘Jij heb mijn zaken niet te beoordelen. Jij heb te spelen. Daarvoor
147