‘Nou maar, wat meen u meneer!’ viel Sien beledigd uit. ‘Denk u dat ’k de jongeheer en de jongejuffrouw alleen pan-nekoeken voorgezet heb? Dat zou wat moois wezen! Nee hoor! — Vertel is jongeheer wat je nog meer heb gehad!’
‘... Nou,’ zei ik, ‘we hebben eerst soep gehad en tóén vlees en aardappelen en tóén ...’
‘Maar Sien!’ knorde moeder. ‘Hoe kun je nu toch zo dwaas zijn, om voor kinderen zo’n diner klaar te maken. En nog wel soep ook! Moest je je nu zó uitsloven?’
‘Ach wat!’ lachte Sien glunder. ‘Ik heb altijd me soepie as ’k bij u gewerkt heb!’
‘Dan heb je zeker geld te veel,’ meende moeder.
‘Welnee, mevrouw,’ lachte zij weer. ‘Ik kook de benen nog is af voor ’k ze wegbreng ...’
‘Heb je de benen van vanmiddag nóg eens in je soep gedaan?’ vroeg moeder met een enigszins onplezierig gezicht.
‘Nou óf ik!’ zei Sien secuur. ‘D’r blijft veel te veel kracht in, om as je ze eens gekluifd heb — ze zó maar te verkopen ...’
Sien is lang dood — maar dat bordje soep vergeet ik niét licht.
141