scheerzeep. Wij kinderen keken nieuwsgierig rond, bewonderden de snuisterijen op de latafel, bewonderden de prenten, speelden met ganzenbord en pepernoten.
Terwijl stond Sien te koken. Ze had ’t érg druk. Eerst lei ze haar kacheltje aan, zette wTater op, begon het beslag voor de pannekoeken klaar te maken. De grote potlepel roerde in de roodaarden pan; de knokelige handen bewogen ijverig.
‘Jongeheer én jongejuffrouw,’ zei Sien, ‘nou zullen jullie is smullen!’
‘Krijgen we énkel pannekoeken?’ vroeg zus.
‘Nee hoor,’ lachte Sien geheimzinnig, ‘jullie zal je maagjes vól eten... eerst lékker soepie ... dan vlesie met aar-pels en lékkere saus... en dan zoveel pannekoeken as je maar lust.’
Wij speelden al geen ganzenbord meer. De soep stond te pruttelen, ’t vlees lag te braden en in de roodaarden pan was een beslag voor een kazerne soldaten.
Sien liet ons voor afwisseling haar bedstee zien, een bedstee van oude kussens en gestopte dekens.
Er hing een crucifix aan het hoofdeind.
En ze vertelde van haar man, die gestorven was voor twee jaar, en wat hij gescheeld had en hóé benauwd-ie ’t an z’n hart had gehad en hoe-die hartstikke dood was gebleven aan tafel.
Wij kinderen luisterden angstig, keken schuw rond. Voor de schoorsteenmantel kreeg ze een vergeeld portretje. Wij namen het griezelig in de handen — tot we voor niets anders aandacht hadden dan voor de pannekoeken. Wat dee Sien ’t gezéllig. Net alsof je op de kermis was. Uit de potlepel glee ’t beslag in de koekepan en dan werd ’t meel langzaam bruin. Wij zaten erbij met een genot zonder einde. Soms mocht zus ’t beslag oplepelen, eens mocht ik de pannekoek ‘keren’.
Sien bakte er wel twintig, bang dat we niet genoeg zouen krijgen.
139