We dansten de kamer rond, hadden haast geen lust om moeder gedag te zoenen.
‘Kinderen, kinderen, niet zo druk,’ vermaande moeder, ‘jullie geeft me geen tijd om me behoorlijk aan te kleden! Sien — in de keuken heb ik een pakje voor je klaar gezet, hoor je?’
‘Een pakje, mevrouw?’
‘.. . ’n afgedragen rok, wat snippers en dan ’n heleboel benen die je verkopen mag — benen van de soep van gister.’
‘Dank u wel, mevrouw.’
Sien dribbelde naar de keuken. Wij haar na. Moeder liet haar altijd de vodden en benen verkopen. Daar had ze dan ’n wekelijks extraatje van. In de keuken, netjes ingeknoopt, lag ’t pakje klaar.
‘Nou — d’r zit me heel wat in,’ zei Sien tevreden, ‘sjon-gen, sjongen wat ’n benen van de week! Jullie heb me aardig wat gekloven, he?’
‘Sien haast je nou wat!’
‘Ja, ja, jongeheer!’
‘Kom dan Sien!’ klaagde zus.
‘De pannekoeke!’ riep ik.
He, zo’n héle dag bij Sien, en spekpannekoeken eten, dat was me zo iets.
We lieten haar geen ogenblik alleen, holden de gangen door, zoenden moeder nóg eens — Toen op weg.
Druk-babbelend liepen we mee. Ze had ouwe, benige rimpelhanden met koperen ringen.
Eerst kocht ze balletjes, toen kregen we ’n glas melk — en zo snoepend kwamen wij bij haar ‘thuis’.
Ik weet nog op een haar na, hoe ’t er bij Sien uitzag.
Ze woonde op een kamertje twee-hoog, achter. Er stonden bloempotten voor ’t raam dat uitkwam op een binnenplaats. Er hingen prenten aan de wand met oorlogsschepen en admiraals en tegen de schoorsteen had ze het Prinsesje gespijkerd tussen een oude kalender en een reclamekaart voor
138