niet gebabbeld werd. Ook vanavond dee ze ’t érg slim. D’r paarse sokken betastten de donkre trap en plots stak ’r sullig oud hoofd, dat die geniepigheden op hoog bevel van de Moeder verrichtte, door het deurloos deurgat.
Alles in orde.
Het maanlicht snee een effen zilverlijn over de linkse ledikanten, fris de lakens belichtend. Achterin staken spichtig de stoelen met netjes gevouwen kleren boven de bed-glad-dingen uit en de lage zwarte schoentjes paarden in bedaarde regelmaat bij de rechtervoorpoot van elk ledikant, zoals ’t avondreglement van de Vader wou.
Zo. Nou over ’n uurtje nog is op je kouse naar boven. Dan had ze óók gedaan. Morgen, maandag, was ’t versteldag. D’r most nog héél wat uitgelegd worde.
De deur benee klepte zachtjes.
‘Weg!’ riep Marie, die ’t dichtst bij de trap op schildwacht lei en mét begon ’t gewoon avondgebabbel van de dertig weesmeisjes, ’n gedempt heen en weer praten, dat vanavond brutaler en drukker klonk, om redenen die élk meisje wist — dat Vader en Moeder op maandvisite waren bij mevrouw Van Breed, een van de regentessen — dat ’t maanlicht zo lekker scheen — dat zes van de meisjes, die familie in de stad hadden, uit waren geweest — dat... Enfijn dat.
Gree liep op ’r blote voeten de bedden langs. Ze was met permissie van Vader en Moeder geëngageerd met ’n weesjongen die aardig geld verdiende als bankdraaier an ’t Spoor. Nou had ze zuurtjes. Gree bracht zondags meestal wat mee om te zuigen. An enkel kauwen in bed had je niet veel. Maar ulevellen of balletjes of brokken of zuurtjes, he! Gree dee ’t als ’n moedertje én wijs. ’t Toetje met zuurtjes kwam ’r handen niet uit.
In de eerste plaats waren ’r meisjes bij die, as je fatsoenlijk presenteerde, in ’t donker stiekem twee of drie tegelijk namen — in de tweede bliefde ze niet alles weg te geven.
‘Open je mond! Hap!’ — zei ze zowat bij elk bed, ’n kle
131