Achter de suitedeur werden de geluiden in volgende dagen vreemd, tóch begrijplijk.
Als ik opstond, tegen elf uur, hoorde ik hem knutselen, scharrelen.
Om zich bezig te houden, scheen-ie ’n figuurzaag gekocht te hebben en daarmee knutselarijtjes te verrichten. Of hij liep op en neer. Of sprak hardop met z’n kanarie, die niet zong omdat hij een zij was — hetgeen ’k alweer van de juffrouw wist, die zuur ’t land had an zo’n doodvreter die de kamer bemorste en geen bek open dee.
De zondag na z’n pensionering hoorde ’k een gesprek met de dominerende vriend, die dadelijk schreeuwde toen-ie binnenkwam.
‘Goeiemiddag — leg jij nog in bed?’
‘Niet lekker,’ schreeuwde de hardhorende buurman.
‘Wat scheelt ’r dan an?’
Geen antwoord.
‘Versta-je me niet? Wat mankeer je?’
De woorden boorden snerpend door de zwijgende deur.
En zeurig, hard-toonloos, zoals doven spreken, klonk ’t weerom:
‘... Ik kan ’r niet an wénnen . ..’
‘An wat?’ — schreeuwde de vrind.
‘An zo’n leven van niks doen,’ — praatte de ander, grommend en hard. ‘Wat heb ’k an me pensioen! Kon ’k me werk niet meer af . . ?’
‘Man wees blij,’ kraakte het ouwemannetjes-geluid van de vrind.
‘Nou — dat ben ’k mét. — Ik kan niet tegen niks doen ...’ En ze praatten ...
Zonder méér te weten, begreep ’k het leven van achter de deur — ’n ambtenaar die jaren en jaren ’s morgens opstaat, z’n werk doet, geen familie heeft, op kantoor z’n kennissen vindt en zich niet plotseling kan wennen aan de stilte,
121