De bezoeker sprak weinig, de hardhorende buurman sprak weinig. Ik denk dat ze ’r door hun bureau-leven aan gewend waren niet te spreken. Alleen de dominostenen rommelden, lawaaiden — en de bezoeker kraak-hoestte als ’n roestige klok, om de vijf minuten.
Het zondags dineren en de zondagse avond waren als de daagse — hij tukte en snurkte in z’n leunstoel, snurkte in z’n bed bij m’n thuiskomen.
Ik wist dat hij ’s avonds Het Nieuws las. Daarop was hij geabonneerd; — de juffrouw vertelde dat-ie geen advertentie oversloeg.
Zo leefden we ruim een jaar — hij achter — ik voor — zonder andere kennismaking dan de geluiden.
Toen kwam een zéér grote verandering.
‘Is meneer, achter, ziek?’ — vroeg ’k op ’n morgen — laten we zeggen middag — terwijl ’k ontbeet. De óngewone geluiden achter de suitedeur — op dat uur — verrasten.
‘Nee, meneer — meneer het sijn pesioen gekrege . ..’
‘Pensioen?’ vroeg ik verwonderd.
‘En nou is-die bon-af,’ redeneerde de vettige hospita (ze was vettig óf groenzepig — ’k wil ’t in ’t midden laten) — ‘pesioen op sijn sestigste... Nou het-ie niet meer te wer-ke — nou is-die rentenier . ..’
‘Dat zal-ie dan wel plezierig vinden?’
‘Nou precies ’t omgekeerde — hij is so sjagrijnig da't-ie je geen asem geeft as-je met ’m praat...’
‘Heeft-ie familie?’
‘ ’n Sus in Sweden of so ies,’ zei ze nadruk leggend op elke s — Amsterdamse kamerverhuursters maken van elke zus ’n zwijn 1.
‘Zo,’ repliceerde ik, happend — zij verdween, stappend — hetgeen zonder moedwil rijmt.
120
1
Latijns sus = zwijn.