Plots waaierde z’n zakdoek de rook weg, de grijze walm om de lamp — en even plots had~ie de hete, vurig-branden-de sigaar in z’n zak gestoken.
Schuw, kamer-verlegen, vreemd-kijkend nu ze geen bril op had, de rode striem over de neus, kwam ze binnen, sprak aarzelend...
.. Piet. .. zou je niet liever naar béd ...’
Maar dan ineens verrast, meende ze damp te zien hangen, rook ze de geur.
4... Heb je tóch nog ’n endje gevonden, Piet?’ — vroeg ze blijig-verwonderd.
‘Nee,’ zei hij bot-onnadenkend.
‘En...’
‘Wat en?’ barstte hij driftig los.
‘Nou — ik dacht — ’t ruikt hier . ..’
‘Dan vergis je je,’ zei hij nerveus.
‘Nou — goed dan — goed dan,’ suste ze. ‘Kom je dan?’
‘Ja — dadelijk — over ’n kwartier ...’
‘Goed, Piet.. .’
Haar voeten kraakten de trap op, zachtjens. En boven scharnierde de deur.
Stampvoetend liep hij heen en weer, van de schoorsteen naar de kast en weerom, blazend tegen de handpalm die pijn dee, rood zag. Vinnig als je je op die manier brandde. Zo echt venijnig. De malle inval om nog is na benee te komen — nooit dee ze ’t — net nóu . ..
Toen ging-ie weer bij de tafel zitten, het gelaat bleker, de ogen omwald, de baardslieren slordig verstoven over z’n jasje. En diepzinnend, grimmig gebukt, plofte hij de rook-builen naar hét licht, ze met norse storingen smakkend.
Het ouwelijk hoofd in de warring der grijzende haren boog diep naar het tafelblad, de lippen stonden snauwend geplet, het oogwit glansde vochtig met kleine mat-stralende zwemmingen.
116