De hand met de sigaar lei futloos bij Netjes bord.
Dan met rukkend gebaar schoof hij de stoel op zij, sloot de ogen, bleef langzaam-genietend lurken, de handen op de buik, de benen languit.
Zó, zonder kijken, rookte hij nog, toen de buitendeur piepte en de commensaal naar achter ging. Als ’t ’m niet beviel most-ie maar andre kamers nemen.
Vroeg klonk de bel.
Moeder die bezig was met de voorkamer, slofte naar achter.
‘Binnen!’
‘Blieft u?’
‘Juffrouw — wie is ’r gisteravond an me sigaren geweest?’
‘An uw sigaren? Geen sterveling zou ’k denken,’ zei ze haperend.
‘Kan niét,’ zei de commensaal nijdig. ‘ ’k Mis er één uit ’t kistje en in de asbak lei — daar kan ik op zweren — ’n sigaar die maar éven was opgestoken ...’
‘Die één,’ aarzelde de juffrouw — da’s glad onmogelijk — en — en de asbak wordt natuurlijk geleegd.’
‘Nou — en ’t mot mét meer gebeuren,’ commandeerde de commensaal, ‘en anders .. .’
Angstig trok ze de deur dicht.
En terwijl ze vóór de leunstoel wreef — vader léi nog — bedacht ze hoe dat nou kón. ’t Kón mét. ’t Was gósonmoge-lijk. An de héle sigaren was ze niét geweest. Daar wou ze ’n eed op doen. Wél had ze ’t éindje meegenomen en in de pul op de schoorsteen gelegd — voor vanavond — as-die zich weer ongelukkig voelde. Maar ’n héle ... Nee ... Nee ...
117