stak de lamp an. Elke avond dee-ie ’t voor de commensaal. As die thuis kwam, moest ’t licht half-op zijn. Hoofdpijnachtig ging hij de tafel langs — terug — aarzelde. Naast de courant van meneer, stond ’n kistje sigaren, het dekseltje op, de sigaren puntig en smakelijk door mekaar alsof ’r haastig ’n hand in gegrabbeld had. Schuw keek hij rond — toen in krankzinnige begeerte om te roken, ’n begeerte zó heftig dat z’n tong zacht-prikkelde en z’n ogen droog schenen te worden, nam-ie haastig, bijna bevend van angst één van de hoop. ’t Was élléndig — maar nou ja — nou ja — merken dee niemand ’t en as-ie weer géld had, zou-ie gewoon ’n sigaar an meneer presenteren en — quite zijn. En — en — wat betekende ’t — ’n sigaar die kon je — die mocht je — die ...
Onplezierig, nerveus, wachtte hij voor-ie ’m in de huiskamer opstak.
Dat was de érgste vernedering die ’m overkomen was in de laatste jaren — ’t maakte ’m helemaal beroerd. Je voelde...
Maar opeens beet-ie de purit van de sigaar, streek driftig een lucifer af en in de leunstoel dampte-die zwaar, geweldige wolken blazend naar ’t lampeglas, dat zoetjes en wazig de rook inzoog en weer vérder dampte naar het wiegelend dopje.
Het was een génót. Wild trok hij, het hoofd achterover geleund, de rook verwarmend in de mondholte, ’m spuiend door de neusgaten dat ’t rechtstandig straalde naar de ge-duldig-zuigende lamp. Zo had-ie de hele nacht kunnen zitten, de hele, lieve, rustige, eenzame nacht tot de scheem-ring weer het geraas bracht, het schellen van de melkboer, het schellen van de krui-je-nier — het — het — al de misère, die je huisdeur beklopte. O, de nacht, de rustige, geleidelijke nacht — de nacht bij de gezellige lamp — in de gezellige, lege kamer — bij je sigaar ...
Met ’n schok was-ie opgestaan.
De traptreden kraakten, kraakten zoals ze deden wanneer ’r énkel voeten over liepen.