ren zien, alsof ’t ’n mirakel was. Ik betaal V toch voor! Ik betaal ’r toch voor! Je zou d’r zo van de trappen smijten. Met d’r Judas-smoel, net asof ze zeggen wou: ik betaal alles en jij heb schuld. En hoe ze rondkeek. De hele kamer nam ze in ’n wip op. En d’r gluperig kijken na de kachel waar geen één pot op stond tegen etenstijd. Dat wijf. Dat wijf met d’r kale bereddering, ’t Vlees liet ze alleen zien om je te tem teren, om je is goed te laten merken dat je niks had. En Pietje die ’r laatst op visite was geweest en drie boterhammen gegeten had omdat-ie zo’n honger had ... En met wat ’n plezier dat dier ’t oververteld had an al de mensen van ’t huis.
In nadenken, opgehitst, verwoed, stond juffrouw Bik bij de gootsteen. Strakkies had je wéér d’r bezoek ... Strakkies ... Strakkies ... Alsof ze een klap had gekregen liep ze vlug naar de kast, greep de blankgeschuurde grote ijzeren pot bij het hengsel, vulde hem met water, nam de ketel van de kachel, zette de pot op het ronde gat. Dan stak ze ’n potlepel in hét water, lei het zinken deksel op de pot. En op het twééde gat van de vierkante kachel plaatste ze een kleinere pot, óók met water, dekte hem toe.
Zo. Nou most ze maar rajen wat ’r in was. Nou kon ze an iedereen vertellen dat ’t twéé potten op ’t fornuis stonden. Dat dier. Dat loeder.
Bij het raam speelden de kinderen met een dominospel van witte houtjes dat Bik zelf gesneden en geverfd had.
‘As de juffrouw van boven strakkies hier komt — en ’k spreek met ’r, dan hou je je mond versta je, Piet?’
‘Ja, moe.’
‘Geen woord zeggen, hoor! Anders krijg-ie voor je broek...’
‘Ja moe ...’
De houten stenen rammelden over de tafel en op de trap had je geloop. Net alles bijtijds. Het vrindelijk gezicht van juffrouw Eekhout verscheen het eerst. Dan kwam de bood
103