124
Martha. Zoen je me niet goeien nacht? ... (hij beweegt niet — zij wil snikkend heen).
Mari. Martha — moet je geen grijze haren meer? ... (heviger snikkend sluit zij de deur).
TWAALFDE TOONEEL.
Mari. De Schoenmaker.
Mari (staart hijgend voor zich heen, neemt machinaal boeken en papieren, die hij in het valies laat zakken, grijpt met bewüstloos gebaar de revolver, wikkelt ’r uit het leder foudraal, spant aarzlend den haan, schrikt door zacht hameren. Achter het gordijn van den schoenmaker is licht gekomen. Het ouwemannetjes-silhouet scherpt in arbeid op het gordijnwit. Angstig leunt Mari achteruit, staat weiflend op, tikt tegen het raamkozijn) ... Willem!... Willem!...
De Schoenmaker (haalt ’t gordijntje op, kijkt grommend). Wie is daar? . ..
Mari. .. Gaat.. . Gaat je zoon beter? (het ouwemannetj e werkt door, schudt het hoofd). Is ’r hoop ? (het ouwe hoofdje schudt nee). Wat zegt de dokter?
De Schoenmaker ... Dat — dat — dat ’t nog 7n paar dage dure ken — hij leit naastan — z’n