125
ruggegraat — z’n ruggegraat is geraakt — z’n beene benne verlamd — da’s — da’s beroerd gezicht — da’s ’n ellendig gezicht — As-die niet dood gaat, blijft-ie voor altijd gebrekkig — Lamme kenne ze niet op de branderij ge-, bruike (klopt zachtjes voort).
Mari. Hindert dat kloppen ’m niet?
De Schoenmaker. Nee — hij ’s niet bij kennis — en dan nog — en dan nog — ’k heb in geen drie dage gewerkt — we motte vrete — me klante mag ’k niet kwijt rake.
Mari. Kan ’k wat voor je doen ? (het ouwe hoofdje zegt nee). Blijf je zoo weer de hééle nacht? (het hoofdje knikt ja)... Willem — Willem — ik heb 'r geen schuld an gehad ...
De Schoenmaker (in z'n lamp starend). Nee — nee. — Maar geeft God dan geen vergelding ? Geeft God geen vergelding ? (Gebogen-hijgend laat hij het gordijn zakken. Een oogenblik blijft Mari naast het scherp, weer arbeidend silhouet — dan stapt hij op het valies toe, smijt de revolver opzij, zet zijn hoed op, gaat de deur uit. Het schoenmakers-silhouet arbeidt zwart-dreig end voort).
Katwijk ajZee, Oct.—November 1901.