123
seringen, meibloesems — god, wat ’n poëtische nacht! — kun je niet leven, niet eten, niet koken, niet kleeden — dan — dan sommeeren we ’m voor den kantonrechter, niet?
Martha. Nee, zöo’n vaart hoeft ’t niet te loopen
— maar op ’t moment dat moet je toegeven, heb je niks, niks, en pa zal de eerste zijn om dat te verwijten.
Mari (triestig, zonder haar aan te kijken). 7k Dacht, Martha — ik dacht, Martha-lief, dat je in plaats van al die bedenkingen, die me maandenlang hebben weerhouen, die me ziek hebben gemaakt tot vóóreergister de crisis kwam — ik dacht dat ’k ook iets van warmte, iets van aanmoediging uitjouw mond zou hooren. En je praat enkel van 7t verloren sterretje, van ’t, verloren
— tractèmènt...
Martha. Dat is — dat is gemeen (begint te schreien — ln de avondstilte weerklinkt het taptoe-signaal — Hij luistert triestig). Goeien nacht, Mari... ’t Is half elf.
Mari. Goeien nacht — Zie ;k je morgen?...
Martha (angstig) ... Als pa ...
Mari... Als je pa wil...