121
Mari (licht verwonderd). In onze stand ? .. . Daar had ’k niet aan gedacht.
Martha. 'n Gepensioneerd officier heeft al zoo’n moeite om ’n burgerbetrekking ...
Mari. Zit je dat — en nou al dwars?
Martha. Dwars nee, maar je moet je gezond verstand gebruiken . ..
Mari (geïrriteerd)... Gezond verstand? Zou jij m’n verstand gezónder hebben gevonden — als die man daar z’n gordijn had kunnen optrekken en me schelden voor moordenaar!...
Martha ... Moordenaar! Je zegt nèt zulke holle woorden als — als je vriend. Papa was ook bij zoo’n opstootje betrokken, tien jaar gelejen
— toen werd óók iemand gewond. Als je zulke woorden méént, ben ik de dochter van ’n.., (een stilte). Zég je daar niks op, Mari?
Mari. Nee.
Martha. Zeg je daar niks op?
Mari. ’k Zeg dat tien jaar gelejen je vader te góéder trouw heeft gehandeld. Maar iemand, die zooals ik geleerd heeft te dénken
— (driftiger) iemand als ik, die Christus niet langer an ’t kruis maar achter zwaar geschut ziet, zoo iemand gebruikt z’n gezond verstand . ..