117
werden geschoten. — (driftig-accentueerend) Als ’k je zoo zie bii de lamp — bij de lamp met die gleuf in je gezicht — dan wor ’k bang, bang van je — dan is ’t alsof'r ’n ander achter je staat — alsof ’n gemeene, helsche schaduw over je gezicht valt — alsof je gemérkt ben — en — en — ’n mès achter je rug houdt.. .
Stam (hem verschrikt bestarend)... Jij zou in staat zijn iemand angstig te maken met je — met je waanzinnige, méér dan waanzinnige uitvallen — jij zou in staat zijn .. . Als je zélf. ..
Mari . . . Zelf — Nee ('t papier opnemend) Goddank! (een stilte)... Papa — je heb ’t uitgelokt — ’k had m’n mond gehouen — ’k zal straks gaan — Als ’k daar woorden heb gezegd.. . (steekt de hand uit. Stam kijkt grimmig — verlaat de kamer).
ELFDE TOONEEL.
Mari. Martha.
Mari (loopt driftig heen en weer, gaat naar de slaapkamer, keert met een valies en ’n hoed terug, pakt papieren en boeken van de schrijftafel).
Martha. Mari, Mari, wat héb je gedaan!