116
Mari. Papa, je prikkelt tot heftigheden die tot niks leiden. — Ik zal morgen gaan. Misschien dat je ...
Stam. Morgen? (dreigend) Van avond nog ...
Mari. Van avond.
Stam (op de revolver wijzend). In jouw plaats had ’k me ...
Mari (bitter). Had u dat liever gehad — vader?
Stam (niet luistrend, zich driftig voor yt voorhoofd slaand). Gek! Stomme dwaas! Onnoozele hals ! Met rottingslagen had ’k ze moeten regee-ren! — Lafbek die je ben — lafaard — zwakke stumper — jij vindt ’t wel ongewoon, dat ’r ouwe soldaten zijn die bentings bestormen, klewanghouwen oploopen? Jij prefereert pan-toffels ..
Mari (ivrokkig)... Toen ’k 7n jongen was, als Fons, ja toén had ’k ontzag voor je litteeken, maar nou, nou vind ’k ’t hideus. — Je heb me te dikwijls verteld wat Paja Bakoeng ’n bloed heeft gekost — dat ’r zèventig dooien van de vijand — de vijand! — gebleven zijn, dat ’r vrouwen, kindren bij waren — dat kampongs vernield werden — dat je oppasser ’n klomp bloed was - - dat de sloebers als honden