115
als vreemden — als vijanden geleefd. We verstonden mekaar niet. U heeft me nooit verstaan, me bespot in dingen die ik ’t liefst had. Nou is de wending gekomen. Laten we als mannen van mekaar gaan — met ’n wrok, als ’t moet — maar ’n wrok slijt — èn ...
Stam (heftig). Als mannen van mekaar — als mannen! — Dacht je dat ’k je nog ’noogen-blik in ’t huis duld?
Mari. Daar was ’k op voorbereid.
Stam (driftig). Jij — en je broer zijn twee ellendelingen — twee karakterloozen ...
Mari (ingehouden). Van Maurits moet u niet tè veel kwaad spreken. Iemand, die weigert de vrouw in de steek te laten, bij wie-ie ’n kind heeft — öpgejaagd vlucht — is geen karakter-looze, allerminst ’n ellendeling al plaatsen ze ’m buiten de wet...
Stam... Jij, jij uit de dienst ontslagen, uit de dienst weggejaagde luitenant van vièr maanden — jij durft over eerkwesties je vader brutali-seeren, je vader die krom heeft gelegen om je in Alkmaar en Breda te laten studeeren, je vader, die op z'n gezicht ’t tééken draagt van ’n dapper soldaat ? ...