114
je ontslagen, weggejaagd, weggejaagd met ’n briefje van ontslag als ’n liederlijke marinier. Nou sta je op de keien — terwijl wij, Hoek, Brand, ik, als volslagen idioten gemanoeuvreerd hebben om je te sauveeren, om je béestig gedrag geheim te houen ...
Mari. Dat spijt me papa — ’k had ’n éigen overtuiging, en overtuiging en discipline zijn vuur en water. In oorlogstijd zou ’k mooglijk ook geweigerd hebben — ik mis ’t récht den eersten den besten te dooden, die me geen stroo in den weg legt, thuis vader, moeder, vrouw ...
Stam (woest). Hou je bek met je nonsens! Als ’n marqué heb je de laatste dagen in je kamer gezeten — je aanvraag is van eergister! Held! Held! Gluuprig in ’t donker werken, gluuprig achter onze ruggen om! — Mijn naam voor de twééde maal blameeren, mijn naam die jij en je broer voor altijd beklad hebben, mijn naam die als ’n schande in ’t leger zal klinken, mijn naam... (stokt hijgend, zakt in een stoel).
Mari. Papa — ’k heb ’t gedaan omdat ’k moést en nu ’t gedaan is — nu ’k officieel ontslag héb — kunnen verwijten hoogstens nutteloos verbitteren. In de laatste maanden hebben we