113
Mari (iglimlachend). . . Daar dénken menschen niet over, die van mekaar houen — houen, trouwen — ’k begin te dichten als kaptein Hoek .. .
TIENDE TOONEEL.
De vorigen. Stam.
Stam (met een enveloppe in de hand — hevig-bevend). Ga na benejen jij, bij Martha .. .
Mevrouw Stam ... Karel... is ’r iets . . .
Stam... Versta je niet? Ruk uit! Ruk uit! (Mevrouw Stam- aarzlend af)... Ik heb daar — (smijt de enveloppe woest neer).
Mari (neemt haar op, ontvouwt een brief, leest, doet den brief weer in de enveloppe).
Stam (na een stilte). Heb jij dat angevraagd ? ...
Mari. Ja, papa.
Stam. Je ziet — je ziet niet eervol.
Mari. Nee, papa — Dat verwondert me niet — dat had ’k niet verwacht.
Stam (heesch). Waarom — waarom heb je niet geraadpleegd ? Met mij — met Hoek ? ...
Mari. Omdat ’r ’n end an moest komen.
Stam. Nou is ’r ’n end gekommen. Nou ben
8