112
Gelukkig is ’r geen litteeken gebleven. — Later, als-ie driftig werd, weer driftig—dacht’k an — an — nie-waar ? . . .
Mari. Met dezelfde karwats sloeg-ie . ..
Mevrouw Stam (angstig) . .. ’k Had ’t niet moeten vertellen — dat voel ’k — je mag ’n man nooit de kroon van z’n hoofd nemen — ’k was bij ’m gebleven om jullie — en nou — met je onberaden stap ...
Mari... Onberaden — née, moedertje. — Had je gewild, dat ik in plaats van Pronk vuur had gekommandeerd ? Dat raam daar is èlken avond, èlken nacht verlicht. Nou is ’t donker, ’n Man van eer kan geen beul (de schel weerklinkt). Daar komt schoonpa terug — die heeft met Brand geconfereerd ...
Mevrouw Stam. Wanneer wil je ’t je vader zeggen ? ...
Mari. Morgen of overmorgen en dan gelijk an haar (op ?t portret wijzend). Mijn kindren, moeder, worden géén soldaat.
Mevrouw Stam. Je kindren — droomer! Zouen die niét moeten loten ? En waarvan wil je trouwen ?