aag in emmes, inderdaad. achroun-sjèl-Pesach, laatste dag v. h. Paaschfeest. almemmor, podium midden in de synagoge.
ansinden, aansteken, arbe kansef, klein kleed met M'ln.uwdraden, dat door mannelijke Israëlieten onder de boven-ldeéren wordt gedragen, asjkenaz, plaatsnaam, zie Genesis X en vlg. aweires, zonden, awoude-zoore, afgodendienst. Awroom owienoe, onze aartsvader Abraham.
baddeken, zoeken naar gezuurd op den avond vóór Paascli. bal-tekeie, bazuinblazer op de ï looge Feestdagen.
bal-tasjgies, vernieling.
bar-jisrool, jood.
battelen, wegruimen van gezuurd.
begezond, bij welzijn.
begour, eerstgeborene.
beis-hamidrasj, leerschool
beis-hamikdosj, tempel.
bensjen, zegenen.
bermitswe, kerkelijk meerderjarig.
besjoolem, in vrede.
besoero, tijding.
bris-miele, besnijdenis.
brooge, zegen.
chajjes, leven.
chamiesjo osor, 15 Sjewat, feestdag van de eerste zonnekracht.
channeke, Maccabeënfeest, channeke-ijzer = luchter van het
Maccabeënfeest.
chanoekilje = zooals de Portugee-sche Israëlieten het noemen.
chomets, gezuurd, choorev, verwoest, choudesj, maand, dajeine, voldoende, dalfen, arme man. dalles, armoede.
dollet, vierde letter v. li. Joodsche alpiiabet. eerew, dag voor. eewen-tof, juweel.
Eiliejenoowe, Elia, de profeet.
eirew-raav, gepeupel.
eisjes-chaajil, edele vrouw.
eitse, raad.
emmes, waar.
fille, gebedenboek.
fillem leggen, gebedsriemen leggen.
gajjes, leven.
gan-eiden, paradijs.
garrepe, smaad.
gas wegooliele, God beware.
gassene, bruiloft.
gawweiriem, vrienden.
gawsoones, trots.
gedoule, zie tekie’e.
gefatter, peet.
gefatterin, peetmoeder.
geilek, deel.
gejoene, verlustiging.
geliele, oprollen v. de wetsrol.
ge more, talmud.