149
„Nou weet u niet, hoe als ik daaraan kom? ’n Mijnse, dat misschien niet eens in de gemoore voorkomt. Motuhoore.” Vanmorge ’n „bestelling” gehad, wat in het lompen-Latijn wil zeggen, dat hij besteld was. Mevrouw had ’n beetje mans-goed, maar hij moest eerst in het salon even wachten, ze wou hem wat vragen. Toen ze weer beneden kwam, vroeg ze of hij wist wat dat was en laat hem die tefillien zien. Of hij wist, wat dat was! Neen, nooit had hij geweten, dat tefillien zoo heilig waren, als toen hij ze daar in die handen zag. Z’n ziel keerde in hem om en ’n eed was in z’n hart gaan kloppen, dat hij die tefillien hebben moest, al moest hij ze afwegen tegen z’n bloed. Of hij wist,wat dat was! En of hij wou uitlegen, hoe die gebruikt moesten worden. Haar jongen van twaalf jaren ruim lag zwaar ziek aan de hersens. Geen dokter, die nog hoop wou geven. Toen had ze een geheimzinnige raad gekregen van ’n vriend van haar echtgenoot, dit laatste middel aan te wenden, uit de Kabala der Joden. En of hij nu wilde zeggen, hoe ze het gebruiken moest, hoe het om het hoofd gebonden worden moest en om het hart. Wat hij toen zei, zou hij niet net zoo weer kunnen nazeggen, ’t Was ’n ingeving geweest, die uit ’n openbaring kwam. Zeker wist hij het. Dat kind van haar moest ze niet gebruiken, maar ’n jongen van de Joden van den leeftijd van haar kind, dat zou haar jongen genezing geven en hij h&d zoo’n jongen, z’n kleinzoon, die over drie maanden zou bar-mitswe worden. En zij weende van dankbaarheid en gaf hem ze mee met ’n kast vol goed voor niets, maar hij moest morgen terugkomen en iederen morgen weer, om te vertellen van den jongen, die de genezing droeg van haar jongen. „Wat zegt u van zóó’n mijnse? Ik kan ’t niet hellepe, maar ik zie d’r toch wat in van hoogerhand of u me nou uitlacht of niet.”
Heeren-huizen. Solied gebouwd door ’ff ervaren architect. Mooi gelegen op netten stand. Met prachtigen inboedel. Neen, echte, hoor. In het ééne woont Benedictus Huisman en daarnaast in het andere zijn compagnon, een niet-Israëliet. We zijn een-en-twintig jaar later. Haar jongen was genezen. God wou ’n wonder doen, met Lijp z’n kleinkind, om den grootvader te beloonen, die voor Hem uitging. Die vreemde heer nam toen de zorg van Booreg op zich. Liet hem studeeren op de school van zijn jongen, kleedde hem samen met zijn jongen.