142
maken. Tegen de stelling met flesschen op. Sjemaa-benie, wat ’n hilleg!
„Hillie, daar gaat de rewoogem!” Sjammie stuift aan.
„Sjammie, dank Sjimborregoe op je bloote knieje, de kindere binne niet bezeerd!” jubelt Hillie.
En onderdewijl knokken de „beizen” in ’n plas advokaat met azijn en olie en stroop en balletjes en bewijzen, dat ze ongedeerd zijn, niet bezeerd, maar besmeerd, joeges! Daar buitelen drie Kopuitjes en twee Prijsjes in ’n klots-kleef-kladder-knok. Beis-Sjammie wint.
„Koopman, kan ik die ham en die kaas koopen?”
Als u raden kan, wie . . .? De winkelier uit de Jordaan.
„Heb u geroote, baas?” vraagt Hillie.
„Wat gaat jou dat an of ik groote of kleine heb, zeker, heb ik groote, kijk” en hij laat gele velletjes zien.
Hij koopt de heele partij ham en kaas, die voor niets was ingeteld. Daarmee was de rinkelekink dubbel en dwars weer heel.
„Zeg, ken ik die joggies niet krijgen, om wat ik gekocht heb naar huis te brengen?”
Beis-Hillie en Beis-Sjammie gaan klevend van vrede, beladen met ham en kaas naar den overkant van de Jordaan. Toen verdeelden Hillie en Sjammie de rest van de koosjere sgoure aan ’n paar sjlemielem van Vlooienburg en Houttuin, lekoowed sjabbes.
En Beis-Hillie en Beis-Sjammie aten dien Vrijdagavond in vrede hun koegel en appelen met pruimen, voor niets!!
XXXII.KLEIN-KRAMERTJE.Wat is uw antwoord, als ik vraag: wat is het antwoord van den mensch op de éérste vraag des levens? Zult ge antwoorden: wat is de eerste vraag des levens? Raad ik u te raden. Ademen? Eten? Huilen? Geen idee. Zóó raadt ieder dier. U, mensch, vraag ik, U, mensch, Gods eerste wil en laatste handwerk! Als u ’t niet w’eet, leer ’t van een kind. Kijk, wat het ’t éérste