98
broedt erin. Het ei is je symbool voor Techiejas hammeisiem, herleving van de dooden. Datzelfde ei, dat men je eten laat, als je je éérste eten eet, na de lewaaje, je s’oedas hawrooë. Treur-spijs? Ben je dol. Vreugde-eten! Je doode is niet dood. Hij wordt je weer levend en sterft dan nooit meer. Eet je tranen weg, subiet na de lewaaje! Kauw op lekker lachen! Hoor je Elia niet fluisteren aan je oor? Zul je z’n stoel met twee kussens klaar zetten aan tafel, je weet wel, die stoel van de bries-miele? Zul je zijn beker vullen? Hij komt, zoo zeker, als hij ééns kwam! ’t Volgend jaar! Als je wilt, is ’t geen sprookje. Maar denk eerst aan Jeruzalem hier, vóór Jeruzalem daar! Halleluj ah!
Finale opruiming. Op ’t Waterlooplein.
Niet aan de stalletjes. Niet op de karretjes. Niet in de standjes. Niet tusschen de stallinkjes. Véél vroeger. Met den dageraad tegelijk, met de musschen uit de veeren. Geen mannen met zorg, geen vrouwen met kommer. Maar knapen met plezier. Zij houden de Joodsch-jaarlijksche finale opruiming. Priestertjes zullen ’t overgeblevene verbranden, brandstapeltjes maken voor choomets-chorban, altaartjes voor de brood-offers, tempeltjes voor ’t fees-vuurtje. Ze nemen zich het recht, om de straten te blokkeeren. Waterlooplein in staat van beleg. Joden-jongetjes op post. Politie geeft zich lachend over. De commissaris van ’t Joden-kwartier is ’n ééwen-tof, ’n Jitro in de Joden-wildernis. ’n Tering zonder nering. Negotie zonder kosten, ’n Manke ketel met ’n verloren poot, ’n doove pot met ’n scheur in de lies, ’n jichtige pan met ’n breuk in den buik, ’n invalide emmer met ’n deuk in den rug. Kokosnoot-doppen aangeboden door ’n vullishoop, mand-krengen gevoteerd door de vaalt, matrassen als donatie van de goten, pisang-stangen als bijdrage van de putten, zwam van vader, ’n halve galle van moeder, natte neuzen van zichzelf. Bij mekaar voor ’n lekkere niks, moet aan verdiend worden ’n halve riks, mogelijk meer mag ook. Wie vraagt ’t vroegst op eerew-Pésach? Natuurlijk ’t Joden-kind. Dat staat toch in de Toure en de „goode”. ’t Kind moet vragen. U dacht aan de seider eerst? Nee, nee, dan heeft ’t al slaap. Eerew-Pésach-vroeg, als ü nog slaapt, ’t Kind moet u wakker maken, snapt u? Vooral op Pésach. U wakker schudden, schreeuwen, dat ’t suffen je vergaat. „Choomets! Choomets! Wéém