van hun choepoh. Het is voor hen een Verzoendag, waarop God hun vergiffenis schenkt (Talmoed Jeroesalmi Bikoeriem 3—3). Zij vasten natuurlijk slechts totdat de plechtigheid van de choepoh begint. Het witte gewaad, waarmee zich de bruid siert is dan ook het zinnebeeld van Gods vergiffenis, waardoor zij nu een nieuw, rein leven beginnen kan.
En als de bruid het huis van haar ouders verlaat, worden haar de overoude zegeningen toegeroepen, die eens Rebekka tegemoet klonken, toen zij als bruid het ouderlijke huis verliet. (Genesis 24—60):
״onze zuster — gij moge worden tot duizend maal — tienduizend!"
Ook de tarwekorrels waarmee men bruid en bruidegom bestrooit, brengen dezen wensch in een aanschouwelijke symboliek.
En dan wordt alle vreugde losgelaten. Vreugde van heerlijke heiligheid! Geen uitgelatenheid, waarvoor men zich schamen moet. Geen banale jool, waardoor het zedelijk gevoel gekwetst wordt. Wee, die zijn mond tot triviale scherts verleidt op den dag, waarop twee menschenlevens zich aan elkaar in heiligheid hebben toegezworen. Wie zich daaraan schuldig maakt, diens leven vergaat in rampen, ook al zouden hem zeventig jaar zijn toegezegd! (Sabbat 33a; Ketubot 8b). Maar in gepaste vreugde zijn alle grenzen opgeheven. Allen moeten meedoen! Weg met alle gedachten, die neer kunnen drukken! Mocht er een begrafenis aankomen, als de bruidstoet passeert, dan moet dat leed uit den weg, een paar straten om! Houdt op met de mooiste en heiligste bezigheid, als het Lied van twee gelukkigsten nadert! Houdt zelfs op met het Touroh leeren aan de kleinen en danst mee met bruid en bruidegom! (Ketubot 17a). Er worden voorbeelden genoemd van de grootste geleerden, die op straat dansend en springend voor bruid en bruidegom uit gingen. En dan riepen ze de bruid de mooiste woorden toe. Daar was het Rabbi Juda ben Ilai die met een myrtentak voor het bruidspaar danste! Daar was het Raw Samuel ben Jitschak, die met drie myrtentakken voor de pasgehuwden sprong! Daar was Rabbi Acha, die de bruid op zijn schouders nam en met haar in het rond danste! Ja, zelfs den Joodschen koning Agrippa zag men op straat voor een bruidspaar dansen. En toen men hem vroeg: ,,Majesteit, wat doet gij?" antwoordde hij: ״ik draag mijn kroon elken dag en deze twee menschen dragen haar éénmaal in het leven!"
II