LEED EN LIEFDE IN HET JODENDOM ״)
Het huwelijk
Het Joodsche huwelijk heet dus ]קדושי = de heiliging van de bruid en bruidegom. Men verstaat dus hieronder de heilige verkla-ring in het bijzijn van minstens tien mannelijke personen, van wie twee als getuigen gelden, dat de bruid den bruidegom geheiligd zal zijn.
Deze hoog heilige ceremonie heet, behalve קדושין ook ]ארוסי Dat is dus de Joodsche ondertrouw, waarbij ook de ring werd over-gegeven en waardoor dus bruid en bruidegom tot echtgenooten wer-den. Dan werd de ]בךכת ארוסי — de lofzegging van den on-dertrouw uitgesproken over een glas wijn en daarna stak de bruide-gom den ring aan den vinger van de bruid, met de woorden: enz.,_i7 0 הרי את מקדשתf enz.הרי את מאורסת לי (Kidoesjin 5b).
Uit deze ondertrouw-lofzegging blijkt heel duidelijk, dat bruide-gom en bruid nu echtelieden waren. De ארוסה was de vrouw van den ארוס . Alleen waren zij nog niet samen in de echtelijke wo-ning. Dan volgde dus de ג&ואץ dat is: ״het tot zich nemen van de bruid". Dan kwam de groote feestelijkheid van de חפה . Dan werd er een חפה gevormd — een onderdak — hetzij door bruid en brui-degom samen onder het tallies van den bruidegom op te stellen of ook door een חפה van een sierlijk baldakijn te vormen. Nu werd de trouw-acte (כתובה) voorgelezen, waarin de bruidegom schrif-telijk heel duidelijk, met naam en toenaam van zich en zijn bruid en met duidelijke omschrijving van plaats en datum verklaarde, dat deze bruid zijn vrouw was en dat hij alle verplichtingen tegenover deze bruid op zich nam, die hem de Joodsche wet voorschreef.
En dan werd er weder een beker wijn ingeschonken en werd de huweiijksiofzegging uitgesproken, de ברכת נשואין of ברכת חתנים (Ketubot 7b). Daar deze lofzegging uit zeven lofzeggingen bestaat, noemt men dit ook de שבע ברכות• .
T ï ־ V
Tegenwoordig hebben deze beide heilige plechtigheden op één en dezelfde dag plaats. Bij ons bestaat dus de huwelijksinzegening, die
II