Tussen Tongeleth en Tollens
kundige bankiers, die duizenden spendeerden voor uitgaven op Joods-wetenschappelijk gebied, die op Sabbath in witte kleren waren gekleed en in wier milieu op Sjawoe’oth mystieke hymnen werden gezongen, die een man als Josua Yellin imponeerden. Misschien was Karl Marx de enige reiziger van Joodse origine, die hun milieu critiseerde. De grote socialist kon zich ook bij zijn bezoek aan het kantoor der Lehrens, niet vrij maken van zijn anti-Joodse affecten. De innig-Joodse sfeer, die daar leefde op een bankierskantoor, waar Talmoed-problemen werden bediscussieerd en waar „Minche werd geoord,” waar Talmide Chagamiem en schnorrers (ook en vooral sjeloechiem uit en voor Palestina) graag geziene gasten waren, waar weinig Nederlands maar veel Jiddisj werd gesproken, lag de gedoopte Marx wel allerminst. „De taal, die gesproken wordt, riekt kwalijk naar Babel, en het parfum, dat anderszins de plaats doordringt, is niet bepaald van aangename aard.”
Maar de Lehrens zouden zich ook daarvan, zo zij er kennis van hadden genomen, niet veel hebben aangetrokken. Zij bleven vol zorg voor het Joodse verleden en de toekomst. De Palestina-oriëntatie der 19e eeuw werd door hen in Amsterdam georganiseerd. Op dit plein was jaren lang het bureau gevestigd van de Pekidim en Amarcalim-organisatie,1) waarvan de resten hunner eenmaal zo fraaie, Hebreeuwse archieven thans een plaats hebben gevonden in de hoofdstad van de nieuwe Joodse staat.
Zij, de Lehrens, mochten dan niet reiken tot de hoogte van een Réveil in de zin waarin de niet-Joodse wereld van Nederland dit had gekend, toch blijft ook hun activiteit inzake de Europese reform-beweging een opmerkelijk hoofdstukje in de geschiedenis van het Joodse Amsterdam. Want zij begrepen wel zeer goed, deze gebroeders, dat het met het officiële Jodendom hunner dagen scheef ging en zij begrepen tevens, wat ook Rabbiner Hirsch zo helder inzag, dat er op beslissende wijze gehandeld moest worden met de Joodse belangen rondom het Meijer-plein.
') Pedikim en Amarcalim = Negentiende eeuwse organisatie ten behoeve van de geldverdeling (chaloeka) onder de (arme) Palestijnse Joden, met als administratief centrum Amsterdam.
91