TONGELETH EN TOLLENS
Maar hoe ver de horizon van het Joodse land ook mocht wijken, merkwaardig is het daarnaast, dat de taal der Joden hier in zekere zin nog kon gedijen. Werd tussen de beide grote sjoelen in 1807 niet geboren Abraham ben Daniël Delaville, een Hebreeuwse Tollens uit het Amsterdamse Ghetto?
In het Ghetto hebben altijd dichters geleefd en we hebben al een enkele ontmoet. Ook dichters in het Hebreeuws is Amsterdam te allen tijde rijk geweest, en daarbij behoeven wij niet eens alleen te denken aan Sefar-dim der 17e en 18e eeuw, als David Franco Mendes en zijn kring. Heeft niet Leib ben Ozer, Leib Ozers, Levie Assers Roosenkrants (we bedoelen steeds dezelfde) ons een Zemira voor Sjabbath Chanoeka nagelaten, waarin hij zijn naam als acrostichon verwerkte? Hij, Leib, Opperkoster te Amsterdam, leefde in het begin van de 18e eeuw.1) Zelfs de Sjam-mosjiem van het Ghetto waren eens poëten. Waarom ons dan te verwonderen over Rebbe Awrohom Delaville, aan wie de herinnering in de Amsterdamse Jodenhoek omstreeks 1925 nog zeer levendig was. Hij behoorde tot de laatsten der Tongeleth-mannen. Hun geestelijke background heeft wijlen Opperrabbijn Maarsen destijds in een vrij uitvoerige studie trachten te benaderen. Voor het verder afstaande publiek zouden wij de mentaliteit van dit genootschap van dichters in het Hebreeuws misschien het best zó kunnen treffen: een mixtum van cerebrale toepassing van een klassiek-Hebreeuwse mozaïekstijl en oud-Nederlandse beoefening van dichtkunst naar de wijze der laat-18e eeuwse dichtgenootschappen. Dat de „grote” Tongeleth-dichter G. I. Polak de Echtscheiding van den Heer H. Tollens, C.z. „in hebreeuwse verzen overge-
x) Momenteel bereidt Zalman Schazar de uitgave voor van een manuscript, dat deze „sjammasj weneëman” ons naliet (in het Jiddisj) en dat zijn memoiren bevat (1666-1718), die van betekenis zijn voor de Sabbattiaanse beweging („Maase Sabbattai Tswi”). Zie Studies and Reports van het Ben-Zvi Institute, vol. III, Jerusalem 1960, pag. 17.
84