Tussen Tongeleth en Tollens
bragt” te Amsterdam bij D. Proops Jacobszoon liet drukken, zegt voldoende. En als het niet voldoende mocht zijn, dan vervolgen wij met de opdracht: „aanDen Weledelen Heer H. Tollens, C.z. Ridder der orde van den Nederlandschen leeuw, wordt deze vertaling der echtscheiding, als een blijk van hoogachting en hulde opgedragen door den vertaler”—
Awrohom Delaville was Polaks leerling en ook zijn dichterlijke voortbrengselen komen niet boven het gesignaleerde genre uit. In 1827 werd hij leraar in het Hebreeuws aan het oude Seminarium, waar hij de traditie der Tongeleth-mannen voortzette en wel zo consequent, dat tot in onze dagen het klassiek-Hebreeuws opstel zich bij de godsdienst-hoofd-onderwijzers-examens kon handhaven, als een zonderling reliek uit een volslagen dood verleden.
Mannen als Abraham Delaville hadden in dit Hebreeuws niet veel meer te zeggen dan Tollens in het Nederlands. In feite waren het typische Maskieliem (Aufklärer). Als wij lezen in de
Gezangen
VOORGEDRAGEN IN DE SYNAGOGE TE UTRECHT,
TIJDENS HET TWEEDE EEUWFEEST ALDAAR,
door
S. E. Voorzanger;
Gezongen op muziek van koch, voor- en na de preek van den Heer Carillon;
In het Hebreeuwsch overgebragt door A. D. Delaville, en oorspronkelijk vervaardigd door B. C. Carillon
dan wordt het ons (tenminste als we nog de moed hebben de gezangen inderdaad te lezen) vreemd te moede. Want wat voor de Sjoel in Utrecht
85