Majesteit koestert. Veilig als wij ons gevoelen onder de beschermende vleugelen van Uwer Majesteits regeering, overtuigd als wij ervan zijn, dat ook onze Synagoge ongestoord hare goddelijke taak zal mogen voortzetten onder de Koninklijke belangstelling, waarvan Gij haar heden zulk een vereerend blijk hebt willen geven, vereenigen de leden dezer Gemeente zich in de vurige bede, dat de zegen des Algoeden Uwe Majesteit en Uwe Koninklijke Familie altijd en overal moge vergezellen; dat de zon van vreugde en geluk altijd helder Uw levenspad bestrale; dat luister en majesteit steeds de onwankelbare pijlers van Uwen Koninklijken troon vormen. Met den Psalzanger roep ik uit: „Laat mij in naam van mijne broeders en vrienden vrede en geluk over U moge uitspreken; in naam van dezen tempel van den Eeuwige, onzen God, wil ik om eeuwig heil voor U smeeken”. (Ps. 122 : 8 en 9).
Merkbaar was de indruk dien deze toespraak, met aan het slot de zinrijke bede, op gevoel-vollen toon door den opperherder in het Hebreeuwsch herhaald, had gemaakt op de Doorluchtige bezoekers tot wie ze was gericht, op allen die haar hadden aangehoord.
De opperrabbijn verlaat de plaats voor den Hechal niet. Want wel het plechtigste moment van deze plechtige ure is aangebroken. De heer Onderwijzer hult zich in het Talieth, den gebedsmantel, schuift het voorhangsel weg van de deuren van het Heiligdom, die hij opent. Voor de vergaderden is de blik vrij op het dierbaarst kleinood van elke Synagoge, zij zien veertien wetsrollen in haar schoonste kleedij, met de kostbaarste borduursels, de schilden en siertorens en kronen met fonkelende edelsteenen.
Hoe heerlijk de aanblik van de H. Arke nu binnen deze gewijde muren de Kronentrits bijeen is: de Heilige Leer, het Priesterschap, de Majesteit.
Allen verheffen zich van hun plaatsen.
Het Gebed voor het Koninklijk Huis bij geopende Arke. Eiken Sabbath en eiken feestdag wordt het uitgesproken door den geestelijke der Synagoge, thans wordt het gezongen door voorzanger en koor:
„Hij, Die koningen hulp en vorsten heerschappij verleent, Wiens Koningschap is een Koningschap van alle eeuwigheid; Hij, Die David, Zijn dienaar, gered heeft van het zwaard des verderfs, Die in de zee een weg, in de machtige wateren een pad heeft gebaand; Hij zegene, behoede, beware, verheffe, make groot en verhooge in aanzien onze gebiedster de Koningin Wilhelmina, verheven blijve Hare Majesteit, en haar gemaal den doorluchtigen Prins, en hunne dochter de erfgename van het Koninkrijk, en de Moeder der Koningin, de Vrouwe onder wier regentschap wij leefden in den tijd toen het aantal levensjaren harer dochter nog gering was ...” Nog drie strofen bidden, zingen en jubelen de stemmen tot het slotwoord, het „Omein”, forsch omhoog stijgt. In schoone harmonie past deze compositie zich aan bij de woorden van het krachtige Hebreeuwsch, waarbij nu vooral opvalt het klankrijke, volle van de Asjkenazische uitspraak.
De thans voorgedragen compositie, waarin motieven van het Wilhelmus zijn gevlochten, is van den in het midden der vorige eeuw zeer bekenden toondichter van synagogale muziek Berlijn, doch ze is gewijzigd door de heer Isr. J. Olman, die verder de muziek heeft getoonzet van alle hier gezongen psalmen.
Mr. Asscher verzoekt de Koningin, den Prins en de Prinses de tentoongestelde gewijde voor
175