wij de stem van het zuiverst idealisme. In treffende gezangen huldigen wij hier de eindelooze grootheid van den Schepper des heelals; in ontroerende gebeden erkennen wij hier de broosheid van ons bestaan, de zwakheid van onzen geest, het machtelooze van onzen wil. Als door goddelijke stralen worden wij hier door tallooze uitingen van ons gebedenboek voor humaniteit en menschenmin bezield. Wij sieren en tooien in diepe vereering de hier zich bevindende heilige rollen, waarop de vuurwet staat geschreven, die, op Sinai geopenbaard, de Grondwet der natiën is geworden.
Zoo is de Synagoge de zedelijke opvoedster van Uwer Majesteits Joodsche onderdanen. Zoo predikt zij ons voortdurend met onweerstaanbaren gloed den onmetelijken rijkdom, die stipte eerlijkheid en onkreukbare trouw in handel en wandel, die bescheidenheid en eenvoud, geduld en leidzaamheid, naarstigheid en vlijt, welke reinheid van zeden en liefde tot God den mensch schenken.
Zietdaar de atmosfeer, die wij ademen in deze gewijze tempelruimte; de levensleer, die zij onafgebroken ons in het harte prent.
En midden in onzen kerkdienst openen zich de deuren van deze Heilige Arke. Alle Synagoge-bezoekers, mannen en vrouwen, grijsaards en kinderen, verheffen zich van hun zetel. Het gebed zal worden uitgesproken voor het duurzaam welzijn van Uwe Majesteit en dat van Uw Koninklijk Huis. Terwijl het oog is gericht naar, de hand als het ware rust op wat boven alles ons dierbaar is, op onze Thora, stijgt de bede hemelwaarts voor uw ongestoord geluk.
Zoo vlecht de Synagoge naar joodsche traditie de onbreekbare band van liefde en trouw tusschen Uwe Majesteit en Uwe Joodsche onderdanen. Naar Joodsche traditie. Want in een treffende opmerking hebben Israël’s geleerden ons den eerbied en het ontzag doen gevoelen, die wij naar het woord van den Bijbel onze Koningin verschuldigd zijn. „Salomo was gezeten op den troon des Eeuwigen”, zoo luidt het in Kronijken. „Op den troon des Eeuwigen”!? Is dit geen schromelijke, onverklaarbare overdrijving? Neen, zoo luidt het antwoord. Wanneer het woord vervuld wordt, dat in de Psalmen voorkomt: „Geef o God aan Salomo, den Koning, Uwe rechtsbegrippen”, wanneer de Koning, niettegenstaande zijn macht, die zijn wil soms tot wet kan maken, zich desniettemin de hooge beginselen van het zuivere recht tot leidraad kiest, dan is zijn troon een goddelijke troon die, hoog verheven, ieder met eerbiedigen schroom vervult.
Daarom, Mevrouw, hebben zij, die deze Synagoge bezochten, het roemruchtig Huis van Oranje steeds in liefde en trouw gediend. Wanneer ook elders de stormen van willekeur en geweld het huis Jacobs bedreigden, hier was tot op den dag van heden de scepter van Oranje het goddelijk symbool van de meest strikte rechtvaardigheid, ook tegenover de belijders van den Joodschen godsdienst. De ceremoniën van onzen eeredienst houden het ons steeds als duren plicht voor: onze dankbare hulde en trouwe gehoorzaamheid te toonen jegens Haar, die nu reeds meer dan 25 jaar op zoo onvolprezen wijze hare zorgen heeft gewijd aan de welvaart en het geluk van al haar onderdanen.
Deze Synagoge heft daarom een schoonen feestzang aan in dit historisch moment, nu Uwe Majesteit heden haren bodem betreedt. De wijding van dit uur zal jaren en jaren in dezen tempel blijven voortleven. Wanneer de tand des tijds reeds lang dezen gedenksteen zal hebben verteerd, dan nog zal de herinnering aan deze feestelijke stonde niet wijken. Hij zal tot in het verre nageslacht blijven vertolken de warme liefde, die de Nederl. Israël. Hoofdsynagoge jegens Uwe
174