Die dankbaarheid en de daaruit geboren liefde, zij zijn de schering en de inslag van een weefsel van onkreukbare trouw, dat Uwe Majesteit meer siert dan purper en hermelijn.
Onze eerbiedige hulde ook aan den Prins der Nederlanden, die, wij zijn er diep van overtuigd, geheel deelt de nobele gevoelens zijner Koninklijke Gemalin en aan Hare Koninklijke Hoogheid, onze geliefde Prinses Juliana, die reeds een groote plaats inneemt in ons hart en deelt in de liefde en den eerbied, die wij Haar Koninklijke Moeder toedragen.
Laat ik deze toespraak mogen besluiten met een bede, ontweid aan het diepst van ons aller gemoed:
God zegene en behoede Uwe Majesteit en gansch Haar Huis, tot in lengte van dagen.
Nauw is deze treffende, door allen met aandacht gevolgde rede van den administratief leider van het Joodsche kerkgenootschap in den lande - mr. Asscher is tevens de voorzitter van de Centrale Commissie - uitgesproken of weer klinken het heldersonore geluid van voorzanger Stoutzker en de forsche stemmen van het koor. Psalm 21 (vers 1-8) wordt aangeheven, de koningszang:
Eeuwige, in Uwe zege moge zich de Koning verblijven; hoe moge hij over Uwe hulp juichen! Denwensch zijns harten vervult Gij; wat zijne lippen uitspreken, onthoudt Gij hem niet, Sela! Gij komt hem met heilrijke zegeningen tegemoet, Gij plaatst op zijn hoofd een kroon van goud, Gij geeft hem lengte van dagen, eeuwigen duur. Verheven is zijn Majesteit door Uwe hulp; luister en macht geeft Gij hem ten deel. Voorwaar, Gij maakt hem tot zegen in eeuwigheid, verblijdt hem met de vreugde Uws aangezichts. Voorwaar, de Koning, die vertrouwt op den Eeuwige en op de gunst der Allerhoogsten, nuimmer zal hij wankelen.
Kon, uit den rijken schat van den koninklijken Zanger, toepasselijker zang gekozen worden dan deze Psalm van David „voor den zangmeester”?
De geestelijke leider der gemeente plaatst zich voor den katheder - een eigenlijken kansel kennen de kerken der de traditie eerbiedigende Joodsche gemeenten niet - om het woord te richten tot de Koningin.
Rede van de Opperrabbijn
Een trappenlied van David: verheugd was ik, toen men tot mij zeide: naar het huis des Eeuwigen trekken wij op (Ps. 122 : 1)
Majesteit, Koninklijke Hoogheden!
Een machtig gevoel van hemelsche vreugde doortintelde de harten en gemoederen van de leden dezer Joodsche gemeente, toen de heuglijke mare hun gewerd, dat Gij deze Synagoge met Uw Koninklijk bezoek zoudt willen vereeren. En nu mij het bijzonder voorrecht te beurt valt, met goedvinden van Uwe Majesteit een enkel woord hier te mogen spreken, zij het mij vergund U de waarde en verheven beteekenis te schetsen, die dit bedehuis voor ons heeft, om U des te beter te doen beseffen, hoe innig dankbaar wij Uwe Majesteit zijn voor de hooge onderscheiding, die Zij dit ons dierbaar kleinood wel heeft willen schenken.
De religieuze en ethische waarheden, die het Jodendom bezit, worden op dezen geheiligden bodem gekweekt. Hier is het brandpunt van ons godsdienstig leven. Het licht der hemelsche wijsheid, dat hier schijnt, verdrijft de schaduwen van menschelijke hartstochten en onedele gewaarwordingen. Vanuit dit Heilige der Heiligen, waarin onze Wetsrollen prijken, vernemen
173