BIJLAGE C
Het bezoek der Koninklijke Familie aan de Groote Synagoge op 1 april 1924. (Verslag ontleend aan het Algemeen Handelsblad van dinsdag 1 april 1924, Avondblad).
Be’ier Amsterdam Hamehoellolo In de Stad Amsterdam, de Roemrijke ...
Zoo wordt Neerlands hoofdstad genoemd en geprezen in de kronijken en bescheiden die de geschiedenis bevatten van het Jodendom der laatste drie eeuwen. En op de eikenhouten betimmeringen, die in 1921 dankbare gemeentenaren schonken aan een der oudste synagogen van West-Europa, bij de viering van haar 250sten verjaardag, is een der inscriptiën de dankzegging: „Geloofd zij God, Die ons deze genade heeft verleend in de Stad Amsterdam Hamehoellolo”. Deze oude synagoge van West-Europa, dat is het stemmig-veenoudige, door Daniël Stalpaert in 1671 gebouwde bedehuis aan de Nieuwe Amstelstraat om den hoek van het Jonas Daniël Meijerplein. „Grote Synagoge” heet zij. Maar dat groot zijn is betrekkelijk. De Nieuwe Synagoge, die haar op het plein belendt, is van veel ruimer afmeting. En haar vermaarde overbuurvrouw de synagoge van de Sefardische zustergemeente, overtreft haar niet alleen in grootte, maar ook verre in architectonische beteekenis en rijkdom. Maar ze is groot, desniettemin, als blijk van godsdienstzin en opofferingsgezindheid van berooiden, van vluchtelingen, die steentje voor steentje moesten garen en sparen eer het gebouw kon worden opgetrokken.
In September 1635, op het Joodsche Nieuwjaar, stegen voor het eerst hier ter stede de gebeden omhoog van de Duitsche Joden, verjaagd, van alles beroofd, die van de verschrikkingen van den Dertigjarigen Oorlog niets hadden kunnen redden dan het veege lijf, het geloof in den Allerhoogste en ... het vertrouwen op liefderijk opnemen in de Roemrijke Stad, welke ongeveer 40 jaar tevoren haar geloofsgenooten uit Spanje en Portugal met open armen had ontvangen. De Groote Synagoge bleef, ook nadat een grootere en zes andere waren gebouwd, de voornaamste kerk der Asjkenaziem (z.g. Hoogduitsche Joden) hier ter stede. Zij was de standplaats van den Opperrabbijn en van Pamassijns (kerkbestuurderen), die slechts uit haar occupanten mochten worden gekozen. Alle gebeurtenissen van gewicht voor de gemeente speelden zich af binnen haar muren. Gebeurtenissen van religieuzen aard niet alleen. Wie het „Handelsblad” opslaat van 4 Juni 1917, Avondblad, vindt in het verslag van de installatie van den Opperrabbijn een herinnering aan het oud-Joodsch-Duitsche spreekwoord: Wie es sich kristelt, so jidelt es sich (de Joden doen na wat zij de Christenen zien doen). Het duidelijkst blijkt dit in het laatst der achttiende eeuw, toen hier een afgescheiden Joodsche gemeente werd gesticht met Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap tot leuze. Koning Lodewijk Napoleon gelastte in 1808 de hereeni-ging van beide gemeenten.
Van heftige tooneelen was deze oude Synagoge getuige in die tijden. Na de eerste staatsgreep van Daendels (22 Januari 1798) werden de Parnassijns „op een zeer flettrissante wijze” afgezet;
168