Tot nu toe kende men in Joodsche kringen slechts deze twee soorten der onnatuurlijke handeling, dat ouders hunne kinderen wegwerpen. Beide hadden dit gemeenzaam, dat de ouders zich bewust waren, al wilden zij het niet bekennen, dat de aanleiding tot deze daad afkeurenswaardig en voor het Jodendom verderfelijk was. In den allernieuwsten tijd echter wordt door velen, waaronder ook voortreffelijke, gezaghebbende mannen dezelfde daad gepleegd, in de overtuiging, dat men een verdienstelijk, in de kunstmatige inbeelding, dat men zelfs een godsdienstig werk verricht. Alleszins zijn zij, die deze liefdeloze behandeling ondergaan niet hunne kinderen in de stoffelijke betekenis van het woord. Zij behoorden echter ons allen, die het met het overgeleverde Jodendom ernstig meenen, in zekeren zin niet minder dierbaar te zijn, niet minder door ons bemind te worden, dan onze eigen kinderen. Wie weet niet, hoeveel verdriet den waarachtig vromen Israëliet het verschijnsel veroorzaakt heeft, dat de meest begaafde zonen van onze stam, in den nieuwen tijd het Jodendom den rug toegekeerd hebben? Wien is het onbekend met welke minachting velen onzen godsdienst behandelden, hoe zeer zij zich verheugden, zoo hun de gelegenheid aangeboden werd, om openlijk te getuigen, dat hetgeen in ons geloof dierbaar en heilig was, door hen als bijgeloof en bekrompenheid beschouwd werd en hoe gelukkig zij zich achtten, ten aanhoore van ieder te kunnen verklaren, dat zij eiken samenhang met ons in denkbeelden en beginselen van de hand wezen? Wien heeft hun streven, om alles, wat aan de Joodsche afstamming herinnert, te onderdrukken en uit te wisschen niet met verachting vervuld? In wien hebben niet verontwaardiging opgewekt hunne verkondigingen dat het koesteren van de hoop op de komst van den Messias, den wederopbouw van Jeruzalem en’den terugkeer van Israëls verstrooiden naar het heilige land, zijn oorsprong had in het gebrek aan vaderlandsliefde, in het gemis van de eerste en de voornaamste burgerdeugd? Wie gevoelde zich niet ten zeerste gekwetst bij het hooren der verwijtingen, ons telkens door hen naar het hoofd geslingerd, dat wij door onze gebeden, onze smeekingen, die betrekking hebben op de grootsche toekomst, door onze profeten verkondigd, ons aan verraad schuldig maken tegen het land, waarin wij wonen, tegen de omgeving, waarin wij leven? De droevige, pijnlijke en ondragelijke gemoedsstemming waarin elke rechtgeaarde Israëliet bij deze waarneming verkeerde, beseffen en begrijpen alleen zij, wier hart klopt voor alle idealen van onze godsdienst, aldus ook voor dat der vaderlandsliefde. Deze gevoelden diep het kwetsende en beleedigende, gelegen in de miskenning en aanranding onzer hoog verhevene beginselen. Het leed, dat de bedoelde stamgenooten ons daardoor berokkenden, was niet geringer, was wellicht nog grooter, dan de achteruitzetting, die Israël van den vijand van buiten te verduren had en nog heeft. En het allertreurigste dezer toestanden was, dat zij de hoop niet lieten opkomen, dat dit gedrag der afvallige broeders ooit kon veranderen. Men hield het voor zeker en vast, dat eene verandering ten goede, dat inkeer slechts bij de intrede van het messiaansche rijk mogelijk was. Zoozeer was men overtuigd, dat dit verderfelijk gedrag een wezenlijk kenmerk was van allen, die in den geest van den modernen tijd groot gebracht waren.
En, M. vr., gij weet het, het is ook in dit opzicht gebleken, hoe feilbaar het menschelijk verstand is. Reeds eenigen tijd aanschouwen wij het verbazende verschijnsel, dat niet weinigen, en zeker niet de onbelangrijksten onder de afvallige stamgenooten, dat hunne uitstekende en begaafde woordvoerders, in wie voor nog niet zeer lang de naam van Zion, Jeruzalem, afkeer en walging het denkbeeld, dat een nationale band Israël in alle landen en werelddeelen vereenigde, spot en
162