waarheid, gepleegd in voorname en invloedrijke kringen van een land dat tot dusverre, niet ten onrechte, zich de bakermat van rechtvaardigheid noemde. Een verpletterenden indruk maakte het verschijnsel, dat lage sluwheid en fanatieke onverdraagzaamheid overwinningen behaalden op nobele oprechtheid en heldhaftige waarheidsliefde. Heden echter zijn wij aangekomen aan het gewenschte rustpunt, waar ’t ons van de hooge spheer, waarin wij op deze heilige dag ons bevinden, gegund is, een toetsenden blik te werpen op het tooneel der menschelijke hartstochten en driften daar beneden.1)
M. vr. Wie uwer zal het vreemd vinden, dat wij in de eerste plaats ons de vraag stellen: welke beteekenis heeft deze afwijking der geschiedenis van haren geregelden loop voor het Jodendom? Het antwoord op deze vraag is spoedig gevonden. Er wordt volstrekt geen scherpzinnigheid toe vereischt, om in te zien, dat zich ook in onze dagen bewaarheid heeft eene oude voorspelling der profeten, die ons de eeuwigheid van ons bestaan verzekert, zelfs waneer onze stamgenooten van dit voortbestaan niet gediend zijn en alles aanwenden, om hun verbond met dezen stam te verbreken. Immers, de martelaar, de oorzaak der geweldige beroeringen, die thans een groot schoon land teisteren, is martelaar voor het Jodendom, zonder echter het verheffende bewustzijn te hebben, dat Joodsche martelaars in vroeger eeuwen zoo gelukkig maakte. Hij is martelaar geworden wegens zijn Joodsche afstamming, die hij gedurende zijn geheele leven trachtte te verloochenen. Droevig stemt ons deze aanblik. Maar daarnaast ontwaren wij een tooneel, dat ons met blijde hoop vervult, een tooneel, door de maatschappij nauwelijks opgemerkt en door onze broeders onbegrijpelijkerwijs met hatelijke gewaarwordingen aanschouwd. Laat mij m. vr. u dit laatste duidelijk maken aan de hand van eenige woorden in de afdeeling, ons zooeven uit de H. Schrift voorgelezen, die aldus luiden. „Sta op, neem den knaap en ondersteun hem met uwe hand, want tot een groot volk zal Ik hem maken”. (Genesis 21,18.)
I
„Sta op, neem den knaap”
M. vr. Het is de woestijn Ber-Séba, waarin de H. Schrift ons met deze woorden verplaatst. Troosteloos, akelig en ijzingwekkend is daar de geheele natuur, zoover onze blikken reiken. Geen menschelijk wezen is daar zichtbaar. En toch moet er op niet al te verren afstand een benijdenswaardige sterveling vertoeven. Een sterveling immers moet het zijn, tot wien een hemelsche stem de zooeven aangehaalde woorden richt. En inderdaad ontwaren onze oogen, na eenige inspanning, in de verte, eene vrouw zitten en verre van daar een knaap onder een der boomen liggen. Uit den inhoud der hemelsche stem kan men gemakkelijk de verhouding der vrouw tot den knaap opmaken. Deze is haar kind, dat zij onder de boomen geworpen en zich dan verwijderd heeft. Deze aanblik ontroert. Hoe, eene moeder heeft zich zóóver vergeten, dat zij het dierbaarste, dat zij bezit, weggeworpen heeft, weggeworpen op deze woeste plaats, waar het noodzakelijk een wissen dood tegemoet gaat! Doch de ontroering maakt spoedig plaats voor innig medelijden met de deemiswaardige moeder. Want wij vernemen de oorzaak dezer
*) Dr. Dünner doelt op de Dreyfus-affaire, die ook voor het Zionisme van Theodor Herzl van doorslaggevende betekenis bleek.
160