VAN GALOETH DE LUXE NAAR GALOETH^S’TAM”1)
De jaren voorafgaande aan het rampjaar 1940 hebben voor de bewuste Joden van Nederland en in het bijzonder van Amsterdam een merkwaardige herinnering achtergelaten. De rampen in het naburige Duitsland, de talloze vluchtelingen, die vooral Amsterdam opzochten, confronteerden de vooroorlogse generatie voortdurend met het scherpe Joodse vraagstuk van onze eeuw. Globaal bezien kon men twee reacties opmerken: er waren vele Joden, die als uiterste consequentie van de emancipatie zich door en door wilden vereenzelvigen met de structuur van het land hunner inwoning; er waren in het tegenovergestelde kamp daarnaast niet weinigen die zich totaal concentreerden rondom de nationaal-Joodse idee. Ook het bezadigde Nederlandse Jodendom kende als gevolg hiervan conflicten, die zich vooral toespitsten met betrekking tot het zogenaamde vraagstuk der dubbele loyaliteit.
De grote Joodse gemeente, die aan het eind van de vorige eeuw het diepe sociale vraagstuk van de opkomst der socialistische beweging had ondergaan en maar nauwelijks had verwerkt, stond thans tegenover een geheel andere problematiek, die niet minder ingrijpend was. Te meer, omdat de vraagstukken, waarom het thans ging, in het verlengde lagen ener Joodse evolutie. De snelle vaart der gebeurtenissen liet intussen niet veel tijd over voor filosoferen en bezinning op problematiek. Direct na het binnenvallen der Duitsers stond n.1. één ding vast: of men Jood wilde zijn en hoe men het wilde beleven, was oninteressant geworden tegenover de alles beheersende formulering van Juda’s aartsvijand. Naar het woord van Theodor Herzl had „de vijand ons wederom tot volk gemaakt.” Alles, wat volgde was van nu af aan een bittere consequentie geworden van een eeuwenoude historie, waaraan ook het Nederlandse Jodendom zich deze keer niet zou kunnen onttrekken. Nauwelijks
151