Echa der echo's
haven. Hoezeer in wetenschappelijk opzicht de mindere van zijn begaafde leraar (Dünners leerlingen, van wie Opperrabbijn Justus Tal de laatste was, spraken van „De Meester”) was hij nochtans een Talmied Chagam, thuis in de bronnen van het Rabbijnse weten. Hij was daarnaast een integere, humane persoonlijkheid, met aangeboren gevoel voor levensstijl. Uitermate bescheiden, suggereerde hij desondanks het bestaan ener natuurlijke distantie, die de juiste afstand markeerde tussen de Raw en zijn Gemeente. Corresponderende met een bekend Joods woord zouden wij kunnen stellen, dat Dünner de plaats van de Opperrabbijn feitelijk had gecreëerd en dat deze plaats op haar beurt het aanzien vertegenwoordigde, waarbij Onderwijzer zich innerlijk aanpaste en waardoor hij ook uiterlijk geheven werd naar een waardigheid, die een natuurlijk deel van zijn persoonlijkheid ging worden. Dat binnenkomen reeds in de Grote Sjoel! De gemeente rijst op! Niet voor de Raw maar voor het Ambt, dat het Rabbinale gezag vertegenwoordigt.
Op de beslissende momenten in zijn loopbaan heeft Opperrabbijn Onderwijzer gedemonstreerd, dat hij niet ten onrechte de profetenmantel van Dr. Dünner had overgenomen. Bij de Congresdemonstratie van februari 1918, waarbij moties werden aangenomen ter verkrijging van minoriteitsrechten voor de Joden in diverse landen der diaspora, trad hij (nog maar kort na zijn benoeming) op magistrale wijze op. Martin Monnickendam legde dit moment vast. Ook bij de anti-pogromdemon-stratie liet hij zich gelden als de leider van het Amsterdamse Jodendom en bleef hij aanwezig tot na de ontbinding van de grote stoet, hier op het Meijerplein. Hoezeer ook feitelijk anti-Zionist, begreep deze Raw dat zijn representatieve functie hem niet toestond afzijdig te blijven bij demonstraties inzake vraagstukken van het wereldjodendom.
Dit intuïtieve begrip voor zijn functie bleek op positief-Joodse wijze nog eens toen de Raw op 1 april 1924 Koningin Wilhelmina mocht toespreken, bij het Koninklijk bezoek aan de Grote Sjoel. Terecht is hierover opgemerkt, hoe recht op hij zijn Koninklijke Gasten toesprak „in de zelfconcentratie van tien minuten, op eene wijze, die toendertijd en ook nu nog, (dit werd geschreven in 1935), niemand had kunnen verbeteren of zelfs maar evenaren.”
137