De Sjoelgas
wij meteen des Pudels Kern. Zoals zulks in vele Joodse gemeenten het geval was, ontwikkelde zich uit een godsdienstig instituut, want dat was de hal toch in allereerste opzet, een economische „Wirtschaft”, een bedrijf, dat in de loop der eeuwen met kennis van zaken zou worden geleid en nu en dan uitgebuit. Vooral in de jaren, dat de halopbrengsten een belangrijke bron van inkomsten betekenden voor de Amsterdamse Kehilla.
Parnassim werden in hun monopoliepositie sedert 1673 gesteund door de stedelijke autoriteiten. Aan hun reeds vermelde vergunning voegden „Mijne Heeren van den Geregte” toe, „ten eynde sij in ’t recht en profijt, dat haar Armen daar af trecken, niet mogten werden verkort, alsmede ’t frauderen van ’s Lands Impost op het Beestiaal soo veel mogelijk te voorgekomen”, dat zij verboden aan alle van de Hoogduitse, Pool-se en andere Joodse naties (behalve de Portugese, die haar eigen hal had) buiten de hal vlees te venten of te verkopen. Parnassim zetten dit besluit nog extra kracht bij, door eventuele overtreders ook nog met de kerkelijke ban te bedreigen. Dat hiertegen reeds spoedig protesten werden ge uit, spreekt vanzelf. Maar de kerkelijke machthebbers waren voor geen kleintje vervaard. Scherpe strafbedreigingen werden in het vooruitzicht gesteld tegen ieder, die zich zou durven verzetten tegen de maatregelen der autonome Kehilla.
Begrijpelijk - althans van het gezichtspunt der parnassim - was deze strakke houding o.m. omdat in Amsterdam de hal-inkomsten belangrijk waren voor de armenkas, daar op het ritueel geslachte vlees een soort armenbelasting werd geheven. Men ging uit van de stelling, dat die Jood, die blijkbaar genoeg geld bezat om vlees te kopen, ook wel iets voor zijn behoeftige mede-Joden mocht overhebben.
In dit verband moge worden opgemerkt, dat de overige bronnen van inkomsten der gemeente niet zo talrijk en zo groot waren. Gelden voor de zitplaatsen der Synagogen, offergelden, inkoopgelden van „Balbat-tiem”, grafgelden van Joden, die geen „Balbattiem” waren en dan zijn we ongeveer aan het eind. Juist daarom werd het halwezen voor de gemeente zo essentieel en de cijfers zijn er om dit te bewijzen. Sinds 1711 werden de gemeenteleden via de inkoop van vlees aangeslagen voor een
115