zelfoverschatting van een neuswijs criticus, die naar gewoonte eigen gevoelentjes en eigen gevalletjes aanziet voor verschijnselen van algemeenen aard —, welke ze aan de orde brengt. En ik meen dit te eerder, omdat de beantwoording van uw laatste vraag, hetzij ontkennend, hetzij bevestigend - ik voor mij erken, dat ik er absoluut geen meening over heb, of over begeer te krijgen - toch van zoo bedroevend weinig belang kan zijn. Indien het al waar is, dat Joodsche auteurs andere, uitheemsche of afwijkende gevoelens en gemoedstoestanden in de litteratuur van hun land projecteeren -, wat dan nog? Wat vooral doet het ertoe, of ik of een ander deze vermenging ‘gewenscht’ vind of ‘ongewenscht’? Het is zeer wel mogelijk, dat auteurs van Fransche afstamming anders werken dan auteurs van Duitsche of Russische afstamming en dat litteraire arbeid van een zenuwlijder er anders uitziet dan die van een zoogenaamd gezond individu. Dit alles is wellicht goed, het waarborgt ons rijkdom en verscheidenheid. Gold het hier een vraag van practisch belang - laat ons zeggen van lidmaatschap of toelating, men zou zich met eenig recht en met eenige vrucht over het al dan niet ‘wenschelijke’ kunnen uitspreken, - nu lijkt mij dit van belang en rede vrijwel ontbloot.
Samenvattend meen ik: dat in elk dergelijk vraagstuk, maar vooral in elk vraagstuk, Joden en Jodendom rakend, het gevoel den doorslag geeft en de conclusies bepaalt - die daardoor dus van andere dan historische waarde ontbloot zijn, - wellicht het sterkst juist in hen, die wanen dat ze over deze dingen onbevangen ‘gedacht’ hebben, of zouden kunnen denken -, verder dat zulks nu, zoo mogelijk, nog krasser dan anders het geval is, onder den invloed van hernieuwde patriottische en chauvinistische gevoelens -, en ten slotte dat het hechten van onze goedkeuring aan, of het uitspreken van onze afkeuring over een zaak, die zoo geheel buiten ons willen en buiten onzen invloed omgaat, wel een klein weinigje litterair-Hollandsch, dat wil zeggen, parmantig-zelfoverschattend mag heeten.’
12 I