HET WASSENDE WATER
op den achtergrond te blijven. Dit strookte met het advies van vooraanstaande Joodsche figuren en met het gevoelen van de meeste belanghebbenden zelf. Over den hierboven bedoelden maatregel dacht men intusschen in leidende Joodsche kringen niet gelijk; er werd tegen aangevoerd, dat het maken van een formeel onderscheid tusschen Joden en anderen indruischte tegen het in Nederland algemeen erkende beginsel van gelijkheid van allen voor de wet; blijkbaar hadden zij, die zoo dachten, liever gewild, dat men zich had bepaald tot een zach-ten wenk, waarnaar de Joden zich ongetwijfeld zouden hebben gericht. Maar wat men moge denken, men kan geen oogenblik hebben ondersteld, dat het Driemanschap ook maar een duimbreed van zijn ruim, Nederlandsch standpunt heeft willen afwijken.’
Welke kwaadwillige zou ooit op die onzalige gedachte zijn gekomen. Dat het befaamde driemanschap geen succes heeft gehad met zijn edel streven, wie kon daar nou iets aan doen. De joden moesten nu eenmaal de gaskamer in. Dat was een onontkoombaar, historisch en misschien wel religieus bepaald lot. Met zijn zes miljoenen. En onder hen meer dan honderdduizend uit de lage landen, die daar nooit de houding hadden aangenomen, die in andere landen het vraagstuk der joden acuut had gemaakt. Soit.
6.000.000
dat was dat sprak het lot en trilde als een blad
190